Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2022:10

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2022
Datum publicatie
06-01-2022
Zaaknummer
21/1665 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Toetsing conform arrest Korošec. 1) Het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen is voldoende zorgvuldig en volledig geweest. 2) Geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. 3) Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 1665 ZW

Datum uitspraak: 3 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 april 2021, 19/3637 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2021. Namens appellant is verschenen mr. Gürses. Het Uwv heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door mr. E. Moerman-Bootsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur/koerier. Op 5 februari 2018 heeft hij zich ziek gemeld met klachten aan zijn linkerhand/arm. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellant op 10 december 2018 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 december 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 83,19% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 30 januari 2019 vastgesteld dat appellant met ingang van 5 maart 2019 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 16 mei 2019 geschreven dat appellant meer beperkt is dan door de primaire verzekeringsarts in de FML is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een nieuwe FML opgesteld, gedateerd op 16 mei 2019. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 11 juli 2019 vastgesteld dat twee van de vijf geduide functies niet meer passend zijn voor appellant. Op basis van de drie functies die resteren is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 28,02%

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het Uwv op een zorgvuldige manier onderzoek naar de medische situatie van appellant heeft gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft alle beschikbare informatie in het dossier, waaronder de medische voorgeschiedenis, de informatie van de huisarts, het rapport van de primaire verzekeringsarts en andere informatie van derden in zijn beoordeling betrokken en heeft de hoorzitting bijgewoond. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De door appellant aangevoerde klachten en aandoeningen zijn onderkend. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft voldoende inzichtelijk gemaakt welke objectieve beperkingen hieruit op de datum in geding voortvloeien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om, in verband met de angstklachten van appellant als gevolg van zijn hartaandoening, meer beperkingen aan te nemen in de FML bij de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. Wel ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding om een beperking voor piekbelasting aan te nemen omdat de cardioloog heeft aangegeven dat appellant vanwege zijn hartproblemen beperkt is voor zwaar fysieke werkzaamheden. Vanwege aandoeningen aan de linkerarm heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een extra beperking opgenomen bij tillen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 23 juli 2020 en op 13 oktober 2020 gereageerd op de in beroep overgelegde medische informatie van F. Kaya van 22 april 2020 en de informatie van Basis GGZ van 10 juli 2020. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vast dat de in 2020 geconstateerde problematiek nog niet aan de orde was op het moment dat de verzekeringsarts appellant heeft gezien. Het ligt meer voor de hand om uit te gaan van in de loop van de tijd toegenomen psychische gezondheidsklachten die vervolgens hebben geleid tot een psychiatrisch ziektebeeld. Deze uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen wordt appellant niet gevolgd in zijn stelling dat hij medisch gezien niet in staat is te werken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Appellant ondervindt zoveel beperkingen dat hij niet kan werken. Zijn klachten bestonden ook al op de datum in geding, maar appellant heeft een tijd op de wachtlijst gestaan bij de psychiater. Ook de beperkingen aan de linkerarm zijn niet goed onderkend. Een urenbeperking is zowel vanuit preventief als energetisch standpunt aan de orde, ook al wordt rekening gehouden met de overige (fysieke en psychische) beperkingen. Preventief omdat fulltime werken (ook bij lichtere werkzaamheden) tot klachtentoename met risico op volledige uitval zal leiden en energetisch vanwege snellere vermoeidheid. Ook ervaart appellant vanwege zijn lichamelijke klachten duidelijke startproblemen in de ochtend waardoor dan een urenrestrictie ontstaat. Er is onvoldoende rekening gehouden met de hartklachten van appellant. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant in hoger beroep nadere stukken ingediend. Anesthesioloog J.E.G.C. van Haandel heeft in 2021 geschreven dat appellant is gezien vanwege chronische onderrugpijn en dat er verdenking is van neurogeen lumbosacraal wortelprikkelsyndroom en tendinopathie parasacraal rechts. Ook heeft appellant een brief van cardioloog K. Tandjung ingezonden waaruit blijkt dat appellant op 30 januari 2019 een onderzoek aan zijn hart heeft ondergaan. Tevens heeft appellant een overzicht van medicijnen ingezonden. Appellant doet een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) en de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) en verzoekt de Raad een onafhankelijk verzekeringsarts te benoemen. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet in staat is de geduide functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Dat leidt in dit geding tot het volgende:

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

De rechtbank wordt gevolgd in het oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak. In wat appellant heeft aangevoerd, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Stap 2: equality of arms

Er is geen reden aanwezig om aan te nemen dat sprake is van schending van het beginsel van equality of arms. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt te onderbouwen met medische gegevens en tegenbewijs te leveren. Appellant heeft hier ook gebruik van gemaakt en informatie van zijn behandelaars ingebracht. Deze stukken zijn naar hun aard geschikt om twijfel te zaaien aan de conclusies die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn getrokken. Er zijn geen aanwijzingen dat informatie over de medische situatie van appellant ontbreekt. Hiermee is voldaan aan het vereiste van een gelijke procespositie.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts geen psychische klachten gemeld. Klachten over moeheid en angst noemt appellant bij de huisarts eind april 2019 en pas in juni 2019 wordt appellant daarvoor verwezen naar de GGZ. Het standpunt van het Uwv dat deze klachten op de datum in geding niet tot beperkingen leiden, wordt dan ook gevolgd. De medische stukken die appellant in hoger beroep heeft ingediend, leiden niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat de stukken geen betrekking hebben op de datum in geding van 5 maart 2019 of dat de inhoud van de stukken al bij het Uwv bekend was en is meegewogen bij de beoordeling. De Raad volgt het standpunt van het Uwv. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had een goed beeld van de medische situatie van appellant en het medicijngebruik op de datum in geding. De stukken die appellant in hoger beroep heeft ingezonden, bevatten geen relevante nieuwe gegevens. Het Uwv heeft ook voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is een urenbeperking op te nemen. De energetische beperkingen waren bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend. Hiervoor zijn ook beperkingen opgenomen in de FML voor onder meer dynamisch handelen. Er is op die manier in voldoende mate rekening gehouden met de verminderde energie van appellant.

Aanknopingspunten, zoals andere medische informatie, om de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken zijn niet aanwezig. Omdat de Raad geen twijfel heeft over de juistheid van de medische beoordeling, bestaat geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige.

4.3.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de geselecteerde functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) en productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC-code 111172) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van C.G. van Straalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2022.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) C.G. van Straalen