Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
19/3281 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Het arrest Korošec brengt niet met zich dat het beginsel van equality of arms geschonden is indien niet alle door appellant gewenste onderzoeken naar zijn beperkingen zijn verricht. Onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het standpunt van de verzekeringsarts voor onjuist moet worden gehouden. De geschiktheid van de geselecteerde functies is afdoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3281 WIA

Datum uitspraak: 29 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 17 juni 2019, 18/872 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. van Mulken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker voor

gemiddeld 32 uur per week via een uitzendbureau. Op 24 augustus 2015 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadien zijn daar ook locomotore beperkingen bijgekomen als gevolg van een verkeersongeval. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 juni 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 25 juli 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 21 augustus 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft nader onderzoek verricht en informatie bij de huisarts opgevraagd. Op basis van die informatie van de huisarts en de daarbij meegezonden informatie van de behandelend specialisten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 21 december 2017 een aantal beperkingen aan de FML toegevoegd. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapport van 1 maart 2018 gelet op de aanvullend gestelde beperkingen en één van de geselecteerde functies verworpen. Uitgaande van de voor appellant resterend geschikt geachte functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%. Bij beslissing op bezwaar van 8 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv een zorgvuldig medisch onderzoek heeft verricht. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat appellant door de verzekeringsarts is onderzocht en dat deze arts kennis heeft genomen van het medisch dossier van appellant en uitgebreid over zijn bevindingen heeft gerapporteerd. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek heeft verricht, de hoorzitting heeft bijgewoond en de in bezwaar ontvangen informatie van de huisarts (met bijlagen) in zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank is niet gebleken dat de informatie uit de behandelend sector onjuist is uitgelegd. Appellant heeft in beroep geen informatie overgelegdwaaruit blijkt van objectief medische bevindingen die zouden kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van zijn medische situatie op de datum in geding en de gevolgen hiervan voor het verrichten van arbeid. Het standpunt van appellant, dat onvoldoende rekening is gehouden met de door de bedrijfsarts opgestelde FML, heeft de rechtbank niet gevolgd. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ingegaan op de verschillen tussen de functionele mogelijkhedenlijsten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat uit de medische informatie blijkt dat de medische problematiek (met name op het psychische vlak) evident anders is rond de datum in geding dan in 2016 en begin 2017. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de verzekeringsarts terecht gesteld dat geen sprake meer is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden omdat tijdens het spreekuur en de hoorzitting is gebleken dat het dagverhaal van appellant actief is gevuld. Hierdoor is ook aannemelijk dat de functionele mogelijkhedenlijsten verschillen laten zien. De rechtbank heeft deze gegeven motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onjuist geacht. Daarbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 4 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7039, overwogen dat de door de bedrijfsarts opgestelde FML een ander doel (re-integratie) dient dan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. De rechtbank heeft het beroep van appellant op het Korošec-arrest van 8 oktober 2015 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om in bezwaar en beroep medische gegevens in te brengen. Hij heeft daar ook gebruik van gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door appellant overgelegde informatie meegewogen en daarover in haar aanvullend medisch rapport van 6 juni 2018 inzichtelijk gerapporteerd. De enkele omstandigheid dat appellant het niet eens is met de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de reeds ingediende bezwaar- en beroepsgronden, die als ingelast en herhaald moeten worden beschouwd. Appellant is van mening dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv. Naar de mening van appellant dient de FML van de bedrijfsarts die haaks staat op de FML van de verzekeringsarts te worden beschouwd als een deskundige rapport. Is dat niet het geval, dan verkeert appellant in bewijsnood en dient om die reden een onafhankelijke deskundige te worden benoemd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 21 augustus 2017 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.

4.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding om aan de hand van de in de uitspraak van 30 juni 2017 onderscheiden stappen te beoordelen of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.

4.3.

Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om daartoe medische stukken in te dienen. Die ruimte heeft hij ook benut door in bezwaar en beroep informatie in te dienen over zijn gezondheidssituatie. De enkele omstandigheid dat appellant ter verdere onderbouwing van zijn standpunt het noodzakelijk acht dat op last van de rechter nader medisch onderzoek wordt verricht, maakt het vorenstaande niet anders. Het arrest Korošec brengt niet met zich dat het beginsel van equality of arms geschonden is indien niet alle door appellant gewenste onderzoeken naar zijn beperkingen zijn verricht (zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:157). Onder de vorengeschetste omstandigheden behoeft het standpunt van appellant omtrent zijn financieel onvermogen geen bespreking.

4.4.

De rechtbank heeft ook met juistheid overwogen dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moet worden gehouden. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar de medische informatie van de bedrijfsarts heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 december 2017 overtuigend gemotiveerd waarom het aannemelijk is dat de medische situatie ten tijde van de beoordeling door de bedrijfsarts in 2016 en begin 2017 verschillend is ten opzichte van die op de datum in geding. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep medische informatie van de behandelaars van appellant betrokken die dichter bij de datum in geding ligt dan de informatie van de bedrijfsarts.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 21 december 2017 wordt geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren, in medisch opzicht passend zijn voor appellant. Met het resultaat functiebeoordeling van de voorbeeldfuncties heeft het Uwv de geschiktheid van de voor appellant geselecteerde functies afdoende gemotiveerd.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) D.S. Barthel