Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:979

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
18/4281 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee uur per dag belastbaar. Drempelfuncties. Indicatie beschut werk. Voor de vraag of een betrokkene per uur ten minste het minimumloon kan verdienen maakt het Uwv gebruik van zogeheten drempelfuncties. Gelet op de wetsgeschiedenis is met de zinsnede 'tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur' in de voorwaarde van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit, gedacht aan uitzonderlijke situaties, waarin − ondanks dat een betrokkene een zeer beperkte duurbelastbaarheid heeft − toch een economische loonwaarde kan worden aangenomen. Van een dergelijke uitzonderlijke situatie is geen sprake indien een drempelfunctie door een betrokkene slechts kan worden verricht door middel van een indicatie beschut werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/112
USZ 2021/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/4281 Wajong

Datum uitspraak: 28 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
28 juni 2018, 18/58 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. ing. Van Ek. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is heropend na de zitting. Het Uwv heeft met een arbeidskundig rapport vragen van de Raad beantwoord.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellante, geboren op [geboortedatum] 1993, is in verband met psychische klachten

met ingang van [geboortedatum] 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) toegekend.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 8 november 2016 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat zij arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling omdat zij de laatste jaren meer beperkt is en niet kan werken. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 10 augustus 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van
1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 3 januari 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 10 augustus 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Daarin is geconcludeerd dat appellante arbeidsvermogen heeft. Weliswaar voldoet appellante aan de voorwaarde dat zij geen vier uur per dag belastbaar is, echter zij is twee uur per dag belastbaar en in staat per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe (kort gezegd) overwogen dat sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek, dat van schending van het beginsel van equality of arms geen sprake is en dat er geen aanleiding is de conclusie van het Uwv, dat appellante beschikt over arbeidsvermogen, voor onjuist te houden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft. De geselecteerde drempelfuncties van medewerker bloemzaadproductie en productiemedewerker B, waarmee zij per uur ten minste het minimumloon zou kunnen verdienen, zijn voor haar niet geschikt en zij beschikt niet over basale werknemersvaardigheden. Daarom heeft appellante met ingang van 1 januari 2018 onveranderd recht op een uitkering ter hoogte van 75% van het minimumloon. Appellante heeft voorts het oordeel van de rechtbank bestreden dat sprake zou zijn van equality of arms.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellante ontvangt sinds 2011 inkomensondersteuning op grond van artikel 2:40 van de Wajong, de zogeheten werkregeling in verband met psychische problematiek. Als gevolg van een wijziging van artikel 2:40 van de Wajong is de hoogte van de inkomensondersteuning voor alle jonggehandicapten in de werkregeling per 1 januari 2018 verlaagd van 75% naar 70% van de grondslag. Het Uwv heeft uit eigen beweging beoordeeld of appellante per 1 januari 2018 als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is aan te merken. In dat geval zou appellante recht hebben op de zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten als bedoeld in artikel 2:45 van de Wajong 2015 en zou de Wajong-uitkering na 1 januari 2018 75% van de grondslag blijven bedragen.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2015 de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Onder duurzaam wordt ingevolge het tweede lid verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Uit de rechtspraak van de Raad volgt dat het begrip ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ in hoofdstuk 2 van de Wajong na 1 januari 2015 gelijk is aan het begrip ‘duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ in artikel 1a van het Schattingsbesluit en hoofdstuk 1a van de Wajong.1

4.3.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) indien hij

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

4.4.

Bij appellante is sinds haar vroege jeugd sprake van een autisme spectrum stoornis, sociale fobie, faalangst en diabetes mellitus. Op latere leeftijd zijn er klachten aan het rechterbeen ontstaan. De verzekeringsarts acht de belastbaarheid van appellante niet wezenlijk anders dan bij de beoordeling in 2011. Appellante kan niet functioneren in een hectische en drukke omgeving en het omgaan met steeds onbekende mensen is voor haar lastig. Zij is aangewezen op een rustige werkomgeving in een kleine groep zonder al te veel wisselingen. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts appellante belastbaar geacht voor ten minste vier uur per dag. De arbeidsdeskundige heeft de voorwaarden in de fysieke en sociale werkomgeving benoemd. Met inachtneming van die voorwaarden is appellante in staat een taak in een arbeidsorganisatie te verrichten.

4.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op energetische en preventieve gronden aanleiding gezien voor een verdere beperking van de duurbelastbaarheid van appellante tot twee uur per dag. De diabetes mellitus van appellante is moeilijk reguleerbaar gebleken en een stoornis in de energiehuishouding is hierdoor plausibel. Overbelasting in psychische zin kan ontregeling van de diabetes tot gevolg hebben en door de autisme spectrum stoornis is sprake van een verhoogde gevoeligheid voor prikkels. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellante geen taak kan verrichten in een arbeidsorganisatie omdat er bij een taak verwacht wordt dat iemand tenminste vier uur per dag belastbaar is. Appellante is wel in staat de drempelfuncties van medewerker bloemzaadproductie en productiemedewerker B gedurende twee uur per dag te verrichten, waarmee zij per uur ten minste het minimumloon kan verdienen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de analyse arbeidsvermogen van de primaire arbeidsdeskundige onderschreven. Deze heeft als voorwaarden voor de fysieke werkomgeving aangegeven dat betrokkene is aangewezen op een rustige werkomgeving in een kleine groep, waarbij bij voorkeur sprake dient te zijn van zo min mogelijk wisselingen. Mocht dit wel voorkomen dan dient appellante hierbij begeleid te worden. Over de sociale werkomgeving heeft de arbeidsdeskundige opgemerkt dat de werkomgeving begripvol dient te zijn en dat betrokkene extra begeleiding nodig heeft door een empathische begeleider die haar vertrouwen weet te winnen. Eventueel zou een jobcoach kunnen worden ingezet die bekend is met de problematiek van appellante. Bij aanvang van de werkzaamheden zal intensieve begeleiding nodig zal zijn en naarmate het meer routinematig wordt en betrokkene meer vertrouwd is geraakt met de situatie in mindere mate begeleiding. In haar rapport van 5 maart 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aangegeven dat in de drempelfunctie medewerker bloemzaadproductie acht (tot een enkele keer 20) personen in de werkomgeving aanwezig zijn. Het aantal medewerkers waarmee direct gewerkt wordt is beperkt tot maximaal twee, wat volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een kleine groep genoemd kan worden. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kan niet gesteld worden dat dit steeds dezelfde groep is, maar betreft dit een re-integratieaspect. In de functie van productiemedewerker B is sprake van ongeveer tien collega’s in een werkruimte van 150 m2, waarbij er volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet direct samengewerkt hoeft te worden in een grote groep. Beide functies zijn volgens de arbeidskundige bezwaar en beroep passend zodat appellante op uur basis het wettelijke minimumloon kan verdienen.

4.6.

Aan de wetgeschiedenis van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit wordt het volgende ontleend:

“Indien een betrokkene medisch gezien alleen belastbaar is voor minder dan vier uur per dag zijn de mogelijkheden tot het verrichten van een arbeidsprestatie met een economische waarde marginaal. Het gaat er hierbij om dat een persoon per definitie niet in staat is vier uur per dag te werken. De persoon in kwestie is in dat geval te weinig productief om nog van arbeidsvermogen te kunnen spreken. De verhouding kosten baten is dan immers niet realistisch. Een uitzondering doet zich voor als iemand minder dan vier uur, maar wel belastbaar is voor ten minste twee uur per dag en per uur ten minste het minimumloon kan verdienen. In een dergelijk uitzonderlijk geval is ook sprake van arbeidsvermogen. (…) De reden om deze bepaling hier op te nemen is dat als iemand een loonwaarde onder het minimumloon heeft, het niet realistisch is te denken dat een werkgever hem aanneemt voor minder dan vier uur per dag. De economische waarde van deze arbeid zou dan zo klein worden dat het niet lonend is voor een werkgever. Ten slotte wordt benadrukt dat belastbaarheid niets zegt over productiviteit per uur.” 2

4.7.

Voor de vraag of een betrokkene per uur ten minste het minimumloon kan verdienen maakt het Uwv gebruik van zogeheten drempelfuncties, zoals die ook worden gebruikt om te beoordelen of betrokkenen tot de doelgroep van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten behoren.

4.8.

Gelet op de onder 4.6 weergegeven wetsgeschiedenis is met de zinsnede ‘tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur’ in de voorwaarde van artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit gedacht aan uitzonderlijke situaties, waarin − ondanks dat een betrokkene een zeer beperkte duurbelastbaarheid heeft − toch een economische loonwaarde kan worden aangenomen. De Raad is van oordeel dat van een dergelijke uitzonderlijke situatie geen sprake is indien een drempelfunctie door een betrokkene slechts kan worden verricht door middel van een indicatie beschut werk. Een indicatie beschut werk ziet immers op de noodzaak van organisatorische aanpassingen die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kunnen worden gerealiseerd of om intensieve begeleiding die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kan worden aangeboden.3 Indien een werkgever dergelijke organisatorische aanpassingen of intensieve begeleiding zou moeten realiseren voor een werknemer die slechts twee uur per dag werkzaam is, moet er van uit worden gegaan dat van een economische loonwaarde, en daarmee van de in de wetsgeschiedenis bedoelde uitzonderlijke situatie, geen sprake meer is.

4.9.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de reactie van 14 januari 2021 toegelicht dat de (extra) begeleidingsbehoefte van appellante voornamelijk nodig is in verband met de voorwaarden voor de sociale werkomgeving. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is intensieve begeleiding verenigbaar met de geselecteerde drempelfuncties medewerker bloemzaadproductie en productiemedewerker B, omdat het om eenvoudig productiewerk gaat en er daardoor geen wezenlijke onderbreking van het productieproces plaatsvindt. Problemen kunnen dagelijks besproken worden, desnoods kan de begeleider op de werkvloer aanwezig zijn om appellante te coachen in de omgang met anderen. Het is de taak van de begeleider om de voorwaarden waaraan de werkomgeving moet voldoen af te stemmen met de werkgever. Waar het betreft de noodzakelijke begeleiding door een (interne of externe) jobcoach heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aangegeven dat dit − behoudens in het kader van een proefplaatsing waarbij sprake is van werken zonder loonwaarde − beleidsmatig niet mogelijk is bij een arbeidsverhouding van slechts twee uur per dag. Appellante komt volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep echter in aanmerking voor een indicatie beschut werk waardoor zij aanspraak kan maken op intensieve begeleiding daar waar ze dat nodig heeft. De Raad begrijpt dit standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aldus dat appellante de geselecteerde drempelfuncties gelet op haar begeleidingsbehoefte alleen kan verrichten onder beschutte omstandigheden. Gelet op wat is overwogen onder 4.8 is in dat geval geen sprake meer van een economische loonwaarde en doet de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Schattingsbesluit zich niet voor.

4.10.

Nu appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij niet ten minste vier uur per dag belastbaar is en niet ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur, beschikte zij op
1 januari 2018 niet over arbeidsvermogen. De vraag of appellante tevens voldeed aan de voorwaarde dat zij niet beschikte over basale werknemersvaardigheden kan daarbij in het midden blijven.

4.11.

Hoewel de Raad in zijn brief van 10 november 2020 daarom heeft verzocht, heeft het Uwv er expliciet van afgezien een standpunt over de duurzaamheid van de bij appellante bestaande beperkingen in te nemen. Gelet hierop, en omdat er voldoende gegevens zijn om die beoordeling te maken, zal de Raad zelf beoordelen of sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

4.11.1.

De vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellante op 1 januari 2018 tevens duurzaam moet worden geacht, beantwoordt de Raad bevestigend. De beperkte duurbelastbaarheid van appellante is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep met name ingegeven door de moeilijk reguleerbare diabetes van appellante en de daardoor veroorzaakte stoornis in de energiehuishouding. Daarnaast is vanuit preventief oogpunt besloten tot een duurbelastbaarheid van twee uur per dag in verband met de verhoogde gevoeligheid voor prikkels door de autisme spectrum stoornis en het daarmee samenhangende gevaar voor ontregeling van de diabetes. In de gedingstukken zijn geen aanwijzingen te vinden voor het standpunt dat de duurbelastbaarheid van appellante zich op die punten in de toekomst nog kan ontwikkelen.

4.12.

Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om een deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht.

4.13.

Gelet op 4.8 tot en met 4.11 slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 10 augustus 2017 herroepen, bepalen dat appellante per 1 januari 2018 recht heeft op een zogeheten uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante voor de aan haar beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 3 januari 2018;

  • -

    herroept het besluit van 10 augustus 2017 en bepaalt dat appellante met ingang van
    1 januari 2018 recht heeft op een uitkering op grond van artikel 2:45 van de Wajong;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 januari 2018;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.136,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van €172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en J.T.H. Zimmerman en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M. Géron

1 Zie de uitspraak van 31 december 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:3482).

2 Nota van toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Stb. 2014/359, pag. 7).

3 Zie artikel 3 van Besluit van 11 december 2014, houdende regels met betrekking tot de werkzaamheden die het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen uitvoert om te beoordelen of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (Besluit advisering beschut werk)