Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
18/4783 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft terecht beslist dat appellante het ziekengeld van werknemer moet doorbetalen. De arbeidsdeskundige heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in haar re-integratieplicht is tekortgeschoten en dat daarvoor geen deugdelijke grond bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4783 ZW, 18/5504 ZW

Datum uitspraak: 13 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland

van 17 juli 2018, 17/4070 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.E. Stals hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2021. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Stals. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

OVERWEGINGEN

1.1.

[werknemer] (werknemer) is bij appellante werkzaam geweest als productiemedewerker voor 32 uur per week. Op 13 april 2015 is hij voor zijn werkzaamheden uitgevallen. Volgens de bedrijfsarts heeft werknemer (nagenoeg) geen benutbare mogelijkheden (GBM) om in zijn (eigen) arbeid te hervatten. Werknemer heeft op 28 december 2016 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. In het rapport van 16 januari 2017 is een verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de bedrijfsarts ten onrechte heeft aangenomen dat bij werknemer sprake is van een situatie van GBM, waardoor re-integratiekansen zijn gemist. In het rapport van 8 februari 2017 heeft een arbeidsdeskundige het verloop van de re-integratie van werknemer weergegeven en geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest, omdat appellante ten onrechte is uitgegaan van een situatie van GBM. Bij besluit van 15 februari 2017 heeft het Uwv beslist dat appellante het ziekengeld van werknemer tot 9 april 2018 moet doorbetalen (zogenoemde ziekengeldsanctie).

1.2.

Appellante heeft tegen het besluit van 15 februari 2017 bezwaar gemaakt en daartoe een rapport ingebracht van haar arts-gemachtigde dr. I. van Zanten-Przybysz van 26 april 2017. Met het besluit van 20 juli 2017 is het bezwaar ongegrond verklaard (bestreden besluit). Daaraan zijn ten grondslag gelegd rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2017 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 juni 2017.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en bepaald dat het Uwv de proceskosten van appellante moet vergoeden en het door haar betaalde griffierecht moet terugbetalen. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verzekeringsarts werknemer niet op het spreekuur heeft uitgenodigd en dat dat in strijd is met de “Werkwijzer Poortwachter/RIV-toets in de praktijk”. Volgens de rechtbank is sprake van een motiveringsgebrek dat op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom in stand gelaten.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de kwestie van GBM niet in geschil is. Appellante heeft gewezen op de conclusie van de arts-gemachtigde dr. I. van Zanten-Przybysz dat de door de bedrijfsarts gegeven sociaal-medische begeleiding conform de vigerende NVVG multidisciplinaire richtlijn Niet-aangeboren hersenletsel en Arbeidsparticipatie is geweest, en ook tijdcontingent en procescontingent is geweest. Volgens appellante is het beleid van het Uwv dat in een situatie van GBM de verzekeringsarts de werknemer altijd moet oproepen. Nu dat niet is gebeurd, kan het bestreden besluit niet in stand blijven en kan geen ziekengeldsanctie meer worden opgelegd. De rechtbank had volgens appellante geen toepassing mogen geven aan artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is uit te sluiten dat de werkgever daardoor benadeeld kan worden.

3.2.

Het Uwv heeft in incidenteel hoger beroep en in verweer bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Hij heeft erop gewezen dat al in de bezwaar- en beroepsprocedure is ingegaan op het rapport van de arts-gemachtigde. Voorts heeft het Uwv erop gewezen dat de gemachtigde van appellante bij de rechtbank te kennen heeft gegeven dat het niet-oproepen van de werknemer door de verzekeringsarts het enige geschilpunt was. Volgens het Uwv blijkt dat ondubbelzinnig uit het proces-verbaal van de zitting. In incidenteel hoger beroep heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat conform de Werkwijzer Poortwachter is gehandeld. Er is terecht besloten om werknemer niet voor het spreekuur op te roepen, omdat de bedrijfsarts in het telefoongesprek met de verzekeringsarts ook van mening was dat geen sprake was van een situatie van GBM.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Het hoger beroep van appellante

4.1.

Ter beoordeling is of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten, waarbij het Uwv heeft besloten dat appellante het ziekengeld van werknemer moet doorbetalen tot 9 april 2018. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat er ten onrechte geen tweede spoor is ingezet, omdat de bedrijfsarts ten onrechte heeft aangenomen dat er bij werknemer geen benutbare mogelijkheden om te re-integreren waren.

4.2.

In zijn rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1138) heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat een besluit tot oplegging van een loonsanctie – hetzelfde geldt voor een ziekengeldsanctie – een door het Uwv ambtshalve genomen besluit is, met een voor de werkgever belastend karakter. Gelet daarop – en mede in aanmerking genomen de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) – is het aan het Uwv om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied.

4.3.

Niet in geschil is dat werknemer ten tijde van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen niet in arbeid had hervat. Het Uwv heeft dan ook terecht aangenomen dat er geen sprake was van een bevredigend resultaat en daarom kon worden toegekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen.

4.3.1.

In dat kader hebben een primaire verzekeringsarts en een primaire arbeidsdeskundige rapporten opgesteld. De conclusies zijn door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderschreven. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts blijkt dat zij het re-integratieverslag heeft bestudeerd en op 13 januari 2016 (lees: 2017) met de bedrijfsarts overleg heeft gevoerd. Blijkens het rapport heeft de primaire verzekeringsarts kennisgenomen van de aanwezige informatie van de behandelend revalidatiearts. Uit die informatie komt naar voren dat sprake is van een status na contusio cerebri in april 2015 en dat er sindsdien cognitieve klachten en problemen met de sensore integratie zijn. Op 14 juli 2015 zijn er geen aanwijzingen voor een bloeding/contusie en is geen zichtbare restschade vast te stellen. Uit de brief van 29 oktober 2015 van de revalidatiearts blijkt dat bij werknemer veel spanningsfactoren spelen en het totaalbeeld van het neuropsychologische onderzoek een enkel gestoord cognitief aspect laat zien met overige intacte cognitieve functies. Volgens de revalidatiearts is sprake van een aanzienlijke lijdensdruk en van een beperkte belastbaarheid die het dagelijkse leven negatief beïnvloeden en ligt de focus van behandeling op spanningsreductie. Uit de brief van 16 november 2016 komt naar voren dat werknemer gesprekken via de huisarts heeft gehad, maar niet met een psycholoog.

4.3.2.

Uit de schriftelijke informatie van de bedrijfsarts blijkt dat sprake is van niet-aangeboren hersenletsel, alcoholabusus en een PTSS (depressie) en dat er volgens de bedrijfsarts geen arbeidsmogelijkheden zijn om medische redenen. Onder het kopje “Overleg met bedrijfsarts” heeft de primaire verzekeringsarts vermeld: “Gesprek met collega Terpstra d.d. 13-1-2016: hij heeft cliënt in december 2016 voor het eerst gezien en moet dus grotendeels voorlezen uit andermans werk. Hij heeft geen andere informatie dan ik heb. Het is hem ook niet duidelijk waarom er GBM gesteld is. Hij kan ook nergens vinden dat er nagedacht is over verwijzing psycholoog of iets dergelijks, i.v.m. de stagnatie in het herstel. Hij is het met mij eens dat er geen sprake van GBM was en dat er een actiever beleid gevoerd had moeten worden.”.

4.3.3.

Op grond van de informatie van de revalidatiearts dat de behandeling van werknemer niet verder is gekomen dan gesprekken bij de huisarts en omdat uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt dat die gesprekken al in april 2016 waren gestopt, heeft de primaire verzekeringsarts een situatie van GBM niet plausibel geacht. In die omstandigheid had van de bedrijfsarts mogen worden verwacht dat hij in overleg met de behandelend sector zou treden en werknemer voor behandeling zou verwijzen of voor hem een traject zou inzetten. Volgens de primaire verzekeringsarts is door het ten onrechte aannemen van GBM stagnatie ontstaan en zijn re-integratiekansen gemist. De verzekeringsartsen hebben hun conclusies inzichtelijk gemotiveerd en voldoende aannemelijk gemaakt dat ten onrechte was uitgegaan van een situatie van GBM.

4.3.4

Het standpunt van appellante dat er wel sprake was van GBM vindt onvoldoende steun in de gedingstukken. Hierbij is van belang dat in de spreekuurrapportages van de arts R.A.C.L. Héman met werknemer van 29 juli 2015, 2 september 2015, 28 oktober 2015 en 23 december 2015 het vakje GBM nooit is aangekruist en dat er op 28 oktober 2015 en 23 december 2015 door de arts Functionele Mogelijkhedenlijsten zijn opgesteld, waaruit kan worden afgeleid dat hij er toen van uitging dat werknemer benutbare mogelijkheden had. Ook op 23 december 2015 heeft de arts het advies gegeven om een arbeidskundig onderzoek te laten doen. Uit de consultrapporten spreekuur van de bedrijfsarts H. de Groot van 18 februari 2016, 4 april 2016, 23 juni 2016, 11 augustus 2016 en 13 oktober 2016 blijkt dat volgens de bedrijfsarts bij werknemer toen sprake was van een situatie van GBM, terwijl in de stukken geen gemotiveerde uiteenzetting van de opvatting van de bedrijfsarts is te vinden waarom die situatie tussen 23 december 2015 en 18 februari 2016 is verslechterd.

4.4.

In het rapport van 8 februari 2017 heeft de primaire arbeidsdeskundige vermeld dat in het kader van de re-integratie van werknemer alleen gesprekken met de casemanager zijn gevoerd. Een tweede spoortraject is niet gestart vanwege een onterechte aanname van de bedrijfsarts dat werknemer geen benutbare mogelijkheden had om arbeid te verrichten. De reintegratie-inspanningen van appellante zijn daardoor volgens de primaire arbeidsdeskundige onvoldoende. De arbeidsdeskundige heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in haar re-integratieplicht is tekortgeschoten en dat daarvoor geen deugdelijke grond bestaat. Het bestreden besluit berust op goede gronden. Dat de primaire verzekeringsarts werknemer in het kader van de beoordeling van het re-integratieverslag niet voor het spreekuur heeft opgeroepen – wat daar overigens van zij – doet aan het voorgaande niet af.

5. Ook kan appellante niet worden gevolgd in het standpunt dat de rechtbank geen toepassing mocht geven aan artikel 6:22 van de Awb. Nu geoordeeld is dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen, kan er geen sprake van zijn dat appellante is benadeeld.

6. Uit 4.3 tot en met 5 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak – zij het op andere gronden – moet worden bevestigd.

Incidenteel hoger beroep van het Uwv

7. In incidenteel hoger beroep heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat conform de Werkwijzer Poortwachter is gehandeld. Zoals hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit op goede gronden genomen. Het incidenteel hoger beroep van het Uwv slaagt derhalve.

8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 508,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) G.S.M. van Duinkerken