Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
18/2911 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IVA-uitkering terecht geweigerd. Arbeidsongeschiktheid is niet duurzaam. Voldoende medische grondslag. Het Uwv heeft terecht een maatregel opgelegd van 25% voor vier maanden wegens het niet opvolgen van een voorschrift van een verzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/2911 WIA, 20/1882 WIA

Datum uitspraak: 27 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 12 april 2018, 17/2689 (aangevallen uitspraak 1) en van 2 april 2020, 19/1050 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Namens appellante heeft mr. Faber door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Het onderzoek ter zitting in beide hoger beroepen heeft plaatsgevonden op 16 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zus [naam zus] en mr. Faber. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos. Partijen hebben door middel van videobellen deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 22 december 2016 heeft het Uwv appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 20 maart 2017 een loongerelateerde

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.

1.2. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 21 juni 2017 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat geen IVA-uitkering wordt toegekend, omdat geen sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juni 2017 ten grondslag.

1.3. Bij brief van 3 juli 2017 heeft de verzekeringsarts aan appellante het voorschrift gegeven zich tussen dan en drie maanden onder adequate psychische behandeling te gaan stellen, vanwege haar persisterende psychische en persoonsgebonden problematiek, en vervolgens de adviezen van deze behandelaars op te volgen. Appellant is er hierbij op gewezen dat bij geen adequaat herstelgedrag er mogelijk een maatregel op grond van de Wet WIA zal worden opgelegd. Tevens is aangekondigd dat er een oproep zal volgen voor een spreekuur om het herstelgedrag te beoordelen en de beperkingen te evalueren.

1.4. De verzekeringsarts heeft daarna op 12 januari 2018 telefonisch contact gehad met de zus van appellante. Op verzoek van de zus van appellante heeft de verzekeringsarts het op 17 januari 2018 geplande spreekuur verzet naar mei 2018 in verband met de bij appellante opgetreden spanning rondom de uitkomst van de beroepsprocedure. Op 14 mei 2018 heeft de verzekeringsarts opnieuw telefonisch contact gehad met de zus van appellante om het herstelgedrag van appellante te bespreken. Naar aanleiding van de mededeling van de zus dat appellante nog niet onder behandeling was heeft de verzekeringsarts gewezen op de mogelijke consequenties van sanctionering. Na een viertal pogingen om telefonisch contact te krijgen met appellante in september 2018 is de zus van appellante op 10 september 2018 onaangekondigd op kantoor bij de verzekeringsarts verschenen en heeft de vraag of appellante inmiddels onder behandeling stond onbeantwoord gelaten.

1.5. Bij besluit van 10 september 2018 heeft het Uwv als maatregel de WIA-uitkering van appellante met ingang van 1 oktober 2018 voor de duur van vier maanden verlaagd met 25%. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante het voorschrift van de verzekeringsarts van 30 juli 2017 niet heeft opgevolgd.

1.6. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 september 2018 is door het Uwv bij besluit van 6 februari 2019 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank op grond van de informatie van GGZ Drenthe geconcludeerd dat verbetering van de functionele mogelijkheden in geval van adequate therapie in combinatie met adequaat herstelgedrag mogelijk wordt geacht. Appellante heeft ervoor gekozen om geen behandeling te volgen en om geen medicatie te gebruiken. De informatie van de psychiater en de klinisch psycholoog biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat hierbij slechts sprake is van een niet anders kunnen als gevolg van haar psychiatrisch ziektebeeld. Met name omgevingsfactoren lijken een grote rol te hebben gespeeld bij het vrijwel categorisch weigeren van adequate hulp. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarmee geen reden om de beoordeling van de prognose van de functionele mogelijkheden van appellante door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

2.2. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante zich in de betreffende periode niet onder behandeling heeft gesteld terwijl uit het voorschrift van 3 juli 2017 duidelijk blijkt dat zij zich onder een adequate psychische behandeling moet laten stellen. Op geen enkel moment is het Uwv op dit standpunt teruggekomen, zodat appellante er niet vanuit kon gaan dat deze verplichting niet meer gold.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij recht heeft op een IVA-uitkering. Haar arbeidsongeschiktheid is ten onrechte niet aangemerkt als duurzaam. De klachten die zij heeft, ervaart zij al jaren en er lijkt ook een verergering van de klachten plaats te vinden. Uit de stukken in het dossier blijkt ook dat zij al vele jaren diverse behandelingen heeft gehad zonder resultaat en dat zij heeft meegewerkt aan al deze behandelingen. Er valt dan ook geen verbetering van haar situatie te verwachten. Over de maatregel heeft appellante aangevoerd dat haar geen verplichting is opgelegd omdat was afgesproken dat pas in mei 2018 een verplichting met termijnen zou worden opgelegd. Zij is niet veelvuldig gewaarschuwd door het Uwv voor een maatregel en bovendien is zij door de huisarts doorverwezen naar fysiotherapie zodat er sprake is van behandeling. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de hoogte en de duur van de maatregel niet in verhouding staan tot de ernst en het verwijtbare karakter van de gedraging.

3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Weigering IVA-uitkering

4.1.

In het kader van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is tussen partijen niet in geschil dat appellante volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellante op de datum in geding, 20 maart 2017, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGAuitkering.

4.2.1.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.2.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.3.

Wat betreft aangevallen uitspraak 1 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht en kennis genomen van de bij de behandelaars beschikbare medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante gezien op de hoorzitting, het dossier bestudeerd en de in bezwaar door appellante ingebrachte medische rapporten in zijn afwegingen betrokken. De conclusies van de verzekeringsartsen, dat op de datum in geding geen sprake was van duurzame arbeidsongeschiktheid omdat er nog behandelmogelijkheden waren die naar verwachting tot een verbetering van de psychische belastbaarheid van appellante zouden kunnen leiden, zijn inzichtelijk gemotiveerd. De door appellante overgelegde informatie van de GGZ Drenthe leidt niet tot een ander oordeel. Uit de stukken van GGZ Drenthe van 11 februari 2011 blijkt integendeel dat appellante in ieder geval in de periode 2007 tot 2011 in bepaalde periodes met gunstig resultaat onder behandeling is geweest, en dat op 11 februari 2011 de behandeling is beƫindigd omdat het sinds medio 2010 redelijk goed gaat met appellante en zij op dat moment geen hulpvraag meer heeft. Na een terugval in 2015 vermeldt de psychiater van GGZ Drenthe na de intake op 5 november 2015 dat het behandelen van appellante moeilijk zal zijn vanwege de culturele geaardheid van haar familie, die behandeling tegenwerkt en afwijst. Deze psychiater verwijst appellante op 21 december 2015 terug naar de huisarts omdat zij actief contact en medicatiegebruik, om het angstniveau te verlagen, niet ziet zitten en eigenlijk alleen ventilerende gesprekken wil bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Uit de stukken van de klinisch psycholoog van GGZ Drenthe van 9 november 2016 blijkt dat medio 2016 opnieuw is getracht om de behandeling op te starten, maar dat het contact is afgesloten nadat appellante wegens angst- en paniekklachten, hyperventilatie en migraine na het intakegesprek viermaal een afspraak heeft afgezegd. Uit deze informatie komt naar voren dat door de behandelaars diverse behandelmogelijkheden werden gezien, waaronder ook medicatie om de angstklachten te verminderen en zodoende de mogelijkheid te bieden om verdere behandelingen op te starten. Bij het niet van de grond komen hiervan hebben niet-medische factoren een substantiƫle rol gespeeld. De rechtbank wordt dan ook gevolgd in het oordeel dat het Uwv voldoend heeft onderbouwd dat er geen sprake is van een situatie waarin appellante als gevolg van haar psychiatrisch ziektebeeld geen behandeling kan volgen. Er is om die reden geen aanleiding om de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een adequate behandeling voor een verbetering in de functionele belastbaarheid kan zorgen en dat appellante een dergelijke behandeling kan volgen voor onjuist te houden. Voor zover uit de verklaringen van appellante over haar huidige behandeling die in 2019 is gestart zou moeten worden afgeleid dat de behandeling nog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, betekent dit niet dat de verwachting die de verzekeringsarts bezwaar en beroep daaromtrent op de datum in geding had, onjuist was.

Maatregel

4.4.1.

In het kader van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 is tussen partijen in geschil of het Uwv terecht een maatregel heeft opgelegd van 25% voor vier maanden wegens het niet opvolgen van een voorschrift van een verzekeringsarts.

4.4.2

In artikel 29 van de Wet WIA zijn de plichten geregeld gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. Op grond van het eerste lid is de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering verplicht in voldoende mate te trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te behouden of te verkrijgen. In het tweede lid, aanhef en onder a, voor zover van belang, is bepaald dat, ter naleving van de plicht bedoeld in het eerste lid, de verzekerde die recht heeft op een WGA-uitkering in elk geval verplicht is zich geneeskundig te laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het Uwv daartoe opdracht geeft en zijn genezing niet te belemmeren.

4.4.3.

Op grond van artikel 88, eerste lid, van de Wet WIA weigert het Uwv een uitkering op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk indien, voor zover hier van belang, de verzekerde verplichtingen bedoeld in artikel 29 niet of niet behoorlijk is nagekomen.

4.4.4.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van de Wet WIA wordt een maatregel als bedoeld in artikel 88 afgestemd op de ernst en de mate waarin de verzekerde de gedragingen verweten kan worden. Van het opleggen wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.4.5.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het op grond van artikel 90, derde lid, van de Wet WIA tot stand gekomen Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten (Maatregelenbesluit) is bepaald dat de hoogte en duur van een op te leggen maatregel in beginsel wordt vastgesteld op 25% van het uitkeringsbedrag gedurende een periode van ten minste vier maanden bij verplichtingen uit de derde categorie, bedoeld in onder meer artikel 6 van het Maatregelenbesluit.

4.4.6.

In artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit zijn de verplichtingen op grond van de Wet WIA voor zover zij betrekking hebben op het vergroten van de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, bedoeld in artikel 29 van de Wet WIA, ingedeeld in de derde categorie.

4.5.Wat betreft aangevallen uitspraak 2 wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht aan appellante een maatregel heeft opgelegd voor 25% voor de duur van vier maanden. In verschillende rapporten in het kader van de WIA-aanvraag van appellante is er al vermelding gemaakt van het belang van het opstarten van adequate psychische behandeling. Deze verplichting hiertoe is duidelijk door de verzekeringsarts neergelegd in het voorschrift van 3 juli 2017. Dat het Uwv op 12 januari 2018 en op 14 mei 2018 appellante meer tijd heeft gegund om aan dit voorschrift te voldoen vanwege de tot dat moment lopende procedure bij de rechtbank betekent niet dat er geen sprake meer was van een opgelegde verplichting. In september is er nog zonder resultaat geprobeerd contact op te nemen met appellante, maar uiteindelijk is door haar zus te kennen gegeven dat er geen informatie wordt verschaft over eventueel lopende behandelingen. Met het voorschrift van 3 juli 2017 en in het telefoongesprek op 14 mei 2018 is ook door het Uwv gewezen op de gevolgen van het niet opvolgen van het voorschrift. Het Uwv heeft dan ook mogen concluderen dat appellante niet heeft voldaan aan het voorschrift van 3 juli 2017. De latere doorverwijzing van 7 november 2018 van de huisarts van appellante naar een fysiotherapeut maakt dit niet anders, ook gelet op het feit dat de huisarts op 25 maart 2019 in het kader van een herbeoordeling door het Uwv tegen de verzekeringsarts heeft verklaard dat dit geen adequate behandeling is, maar dat appellante niet open staat voor andere opties. Uit 4.3 volgt dat er bij appellante geen sprake is van een situatie van het niet kunnen volgen van een psychische behandeling zodat er sprake is van het verwijtbaar niet opvolgen van het voorschrift (zie ook de uitspraak van 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3883). Er worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv in de ernst en de mate waarin appellante het niet opvolgen van het voorschrift verweten kan worden aanleiding had moeten zien om de maatregel te matigen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.M.M. Chevalier