Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:953

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
18/4329 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Vermogen in het buitenland. Matiging boete op grond van draagkracht. Intrekking en terugvordering van AIO-aanvulling op de grond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van de percelen in Griekenland. Het onderzoek van de Svb is niet onzorgvuldig geweest. Het moet voor appellante duidelijk zijn om welke percelen het ging. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over de op haar naam geregistreerde percelen kon beschikken. De Svb mocht uitgaan van de fiscale waarde. De boete moet worden afgestemd op de draagkracht van appellante, rekening houdend met de voor beslag vatbare ruimte van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2021/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4329 PW, 18/4330 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 26 april 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 juli 2018, 17/1837 en 17/4179 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Svb heeft gereageerd op vragen van de Raad. Appellante heeft hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 september 2011 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. In aanvulling daarop ontving zij met ingang van 30 september 2011 bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW).

1.2.

In het kader van een onderzoek van de Svb naar de rechtmatigheid van de AIO‑aanvulling van alle AIO-gerechtigden heeft appellante van de Svb in maart 2016 het formulier ‘Verblijf en vermogen buiten Nederland’ ontvangen en op 26 maart 2016 ingevuld en ondertekend. Appellante heeft op dit formulier onder meer ingevuld geen grond of woning buiten Nederland te bezitten. Tijdens een aangekondigd huisbezoek op 12 oktober 2016 heeft appellante onder meer verklaard van 23 juni 2016 tot 15 september 2016 bij een zus op een adres te [naam stad] in Griekenland te hebben verbleven. Appellante heeft zich tijdens het huisbezoek op verzoek van de medewerkers van de Svb gelegitimeerd met een Griekse Identiteitskaart.

1.3.

Op 14 oktober 2016 heeft de Svb een opdracht aan het Controle Team Buitenland (CTB) gegeven tot het verrichten van een onderzoek naar vermogen van appellante in Griekenland. Op 27 oktober 2016 heeft het CTB een opdracht bij een advocaat in Griekenland uitgezet om een vermogensonderzoek in te stellen. Op 26 januari 2017 heeft deze advocaat gerapporteerd dat uit kadasteronderzoek, verricht in de gemeente [gemeente] , is gebleken dat appellante onroerend goed bezit, te weten een stuk grond van 400 m² in de stad [naam stad] (perceel 1) en een stuk grond van 3.000 m² in de gemeente [gemeente] , buiten het stadsplan van de stad [naam stad] (perceel 2). Beide percelen heeft de vader van appellante haar in 1979 geschonken. Uit de in de akte van schenking opgenomen beschrijving van de grond kan de precieze ligging van de percelen niet worden afgeleid, zodat geen inspectie kan plaatsvinden om vast te stellen of perceel 1 bebouwd is. Perceel 2 kan niet worden bebouwd, omdat dit buiten de stad ligt. Omdat wel bekend is dat het kleine perceel in de bebouwde kom van de stad [naam stad] ligt en het grote perceel buiten de bebouwde kom kan de fiscale waarde worden vastgesteld. De fiscale waarde van perceel 1 is € 17.760,- en van perceel 2 € 1.800,-. De bevindingen van het onderzoek staan in een rapportage van 2 februari 2017.

1.4.

Bij besluit van 6 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juni 2017 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellante met ingang van
30 september 2011 ingetrokken. Hieraan ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van de percelen in Griekenland. Het recht op AIO-aanvulling kan vanaf 30 september 2011 vanwege de schending van de inlichtingenverplichting niet worden vastgesteld. Vanaf januari 2017 heeft appellante geen recht op een AIO-aanvulling omdat haar vermogen boven de voor haar geldende vermogensvrijlating uitkomt.

1.5.

Bij besluit van 11 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 december 2017 (bestreden besluit 2), heeft de Svb de over de periode van 30 september 2011 tot en met 31 januari 2017 gemaakte kosten van AIO-aanvulling tot een bedrag van € 21.226,66 van appellante teruggevorderd. Ook heeft de Svb daarbij aan appellante een boete van € 8.200,- opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is de Svb ervan uitgegaan dat de schending van de inlichtingenverplichting appellante normaal is te verwijten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking (bestreden besluit 1)

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 30 september 2011 tot en met 6 februari 2017, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat het onderzoek van de Svb onzorgvuldig is geweest. Onduidelijk is hoe de Svb aan de door haar gebruikte informatie komt en onduidelijk is of die informatie juist is. Bovendien zijn de percelen niet precies gelokaliseerd waardoor appellante geen tegenonderzoek kon laten verrichten. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.1.

Niet in geschil is dat appellante in 1979 perceel 1, zijnde een perceel grond van 400 m² in de stad [naam stad] , en perceel 2, zijnde een perceel grond van 3.000 m² in de gemeente [gemeente] , op grond van een schenking van haar vader heeft verkregen. In de in 1.3 genoemde rapportage staat hoe de Svb de informatie, waaronder de registratie van de percelen in het kadaster, heeft verkregen. De Svb heeft het CTB opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een onderzoek. Het CTB heeft een advocaat in Griekenland ingeschakeld en deze heeft een onderzoek in het kadaster van de gemeente [gemeente] uitgevoerd. Onder de gedingstukken bevinden zich verder bijlagen van deze rapportage, waaronder het in de rapportage genoemde Uittreksel kadaster [gemeente] en een Akte eigendomstitel van appellante. Weliswaar heeft de Svb geen door de advocaat in Griekenland opgesteld rapport van de bevindingen in geding gebracht, maar dat laat onverlet dat het voor appellante duidelijk moet zijn om welke percelen het ging. Zij heeft immers die percelen van haar vader gekregen. Dat dit voor haar duidelijk was blijkt ook uit de door appellante in de bezwaarfase overgelegde nadere gegevens, waaronder twee onder ede tegenover een notaris afgelegde verklaringen van 3 maart 2017 van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en van [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] . Dit zijn de zwager, zus en neven van appellante. Zij verklaren onder meer dat appellante de percelen in eigendom had en dat de zus en zwager deze percelen hebben gekregen op grond van een informele schenking door appellante aan hen. Uit deze door appellante in het geding gebrachte verklaringen volgt dat zij begreep om welke percelen het ging. Verder heeft appellante in de bezwaarfase, nadat haar dochter op 19 april 2017 had verklaard dat de percelen inmiddels ook in het kadaster op naam van de zus en zwager van appellante waren gesteld, stukken overgelegd waaruit blijkt dat de percelen op 3 mei 2017 op naam van de zus en zwager van appellante staan geregistreerd. Deze datum ligt na de te beoordelen periode, zodat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat appellante in de periode daarvoor niet over de percelen beschikte.

4.3.

Vaststaat dat de percelen in de te beoordelen periode in het kadaster op naam van appellante geregistreerd stonden. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3030) rechtvaardigt het feit dat een onroerende zaak op naam van een betrokkene staat geregistreerd in een officieel eigendomsregister de vooronderstelling dat die zaak een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij in de te beoordelen periode niet over percelen 1 en 2 kon beschikken. Zij was niet de eigenaar van de percelen omdat zij deze in 1984 heeft geschonken aan haar zus en zwager. Dit blijkt volgens appellante uit de door haar overgelegde en in 4.2 genoemde verklaringen van 3 maart 2017 van haar zus, zwager en twee neven. Deze personen verklaren onder meer dat zij uit eigen directe waarneming weten dat de zus en zwager van appellante de percelen in volledig eigendom, gebruik en bezit hebben gekregen op grond van een informele schenking door appellante rond het jaar 1984. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

De informele schenking in 1984 heeft niet geleid tot aanpassing in het kadaster van de eigendom van de percelen. De verklaringen van 3 maart 2017 zijn ontoereikend voor de conclusie dat appellante niet over de op haar naam staande percelen kon beschikken. Deze verklaringen van 3 maart 2017 zijn immers achteraf opgesteld en op geen enkele wijze onderbouwd.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zij wist niet dat de percelen nog op haar naam stonden. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

4.5.1.Tijdens de hoorzitting op 27 maart 2017 heeft appellante verklaard dat zij de grond aan haar zus heeft gegeven toen zij naar Nederland kwam maar dat dit nooit officieel geregeld is. Hieruit blijkt dat appellante wist dat zij, in ieder geval volgens de officiële registraties, nog eigenaar was van de percelen.

4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Bij schending van de inlichtingenverplichting voor het bezit van onroerende zaken is het aan de betrokkene om met gegevens te komen aan de hand waarvan (de ontwikkeling van) de waarde van de onroerende zaken had kunnen worden bepaald en vervolgens het recht op (aanvullende) bijstand had kunnen worden vastgesteld.

4.7.

Appellante betwist dat de Svb mocht uitgaan van een gezamenlijke fiscale waarde van € 19.560,-. Appellante kon geen tegenonderzoek naar de waarde van de percelen laten verrichten omdat zij niet eens weet wat en hoe onderzocht is. Deze grond slaagt niet.

4.7.1.

Alleen al uit het feit dat appellante documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat de percelen na het intrekkingsbesluit zijn overgedragen aan haar zus en zwager blijkt dat appellante weet om welke percelen grond het gaat. Zij had deze percelen zelf kunnen laten taxeren teneinde aan te tonen dat de fiscale waarde van de percelen niet overeenkomt met de marktwaarde van de percelen.

Terugvordering en boete (bestreden besluit 2)

4.8.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen afzonderlijke gronden aangevoerd, zodat deze onbesproken kan blijven.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.5.1 volgt dat de Svb ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van twee percelen grond. Appellante kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. De Svb was daarom verplicht een boete op te leggen.

4.10.

Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan in haar geval verminderde verwijtbaarheid is aan te nemen. De Svb is daarom terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. In dat geval is 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807).

4.11.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de Svb bij brief van 7 oktober 2020 een nader standpunt ingenomen over de hoogte van de boete en het maximumboetebedrag. De Svb meent nu dat de hoogte van de boete met toepassing van artikel 2, zevende lid, van het Boetebesluit moet worden bepaald op € 5.200,-. Dat is 50/75 vermenigvuldigd met het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zoals dat gold op 1 januari 2013 (€ 7.800,-). Dit betekent dat het bestreden besluit voor zover het de hoogte van de boete betreft moet worden vernietigd.

4.12.

Indien de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de omstandigheden op dat moment. Onder die omstandigheden valt ook de op dat moment bestaande draagkracht uit inkomen en vermogen en de dan geldende beslagvrije voet. Vergelijk de uitspraken van
17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2155, 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3292 en 16 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:358.

4.13.

Naar aanleiding van vragen van de Raad over de draagkracht van appellante heeft de Svb bij brief van 27 januari 2021 vermeld dat appellante opnieuw een AIO-aanvulling ontvangt. De Svb heeft in de financiële draagkracht van appellante echter geen reden gezien de hoogte van de boete verder te matigen. Volgens de Svb bestaat geen aanleiding te anticiperen op de verhoging van de beslagvrije voet. Verder stelt de Svb dat appellante voldoende draagkracht heeft om de boete te betalen, omdat zij nog steeds kan beschikken over het vermogen dat in het onroerend goed gebonden zit.

4.14.

Anders dan de Svb is de Raad van oordeel dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete niet uitgegaan kan worden van de situatie dat appellante nog beschikt over het verzwegen vermogen in Griekenland. Onder 4.2.1 is reeds overwogen dat appellante stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de percelen op 3 mei 2017 op naam van de zus en zwager staan.

4.15.

Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet van 8 maart 2017 (Stb. 2017, 110) (Wvbvv) in werking getreden. Met deze wet is de beslagvrije voet voor schuldenaren met een inkomen op of onder bijstandsniveau verhoogd van 90% naar 95% van het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag.

4.16.

Gelet op 4.12 tot en met 4.15 zal de Raad bij de beoordeling van de hoogte van de boete, gelet op de draagkracht van appellante, uitgaan van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. Dit betekent dat afstemming van de boete op de draagkracht van appellante meebrengt dat de boete in een periode van twaalf maanden moet kunnen worden terugbetaald, rekening houdend met de voor beslag vatbare ruimte van 5% van de toepasselijke bijstandsnorm. In de situatie van appellante, die alleenstaande met de pensioengerechtigde leeftijd is, betekent dit dat de boete dient te worden bepaald op € 717,58. Dat is twaalf maal 5% van de norm voor een alleenstaande met de pensioengerechtigde leeftijd, die ten tijde van deze uitspraak € 1.195,97 bedraagt. De persoonlijke omstandigheden van appellante geven geen aanleiding om de boete verder te matigen. De boete moet daarom worden vastgesteld op € 717,58. De Raad acht deze boete passend en geboden.

Conclusie

4.17.

Uit 4.11 tot en met 4.16 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij bestreden besluit 2 wat de hoogte van de boete betreft in stand heeft gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft en het besluit van 11 september 2017 herroepen voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 8.200,-. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal de Raad het boetebedrag vaststellen op € 717,58.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 534,- voor de kosten in bezwaar, op € 1.068,- voor de proceskosten in beroep en op € 534,- voor de proceskosten in hoger beroep, dus in totaal op € 2.136,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 december 2017 gegrond en vernietigt dat besluit
voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- herroept het besluit van 11 september 2017 voor zover het betreft de hoogte van de boete;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 717,58 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de
plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 december 2017;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.136,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2021.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) R.I.S. van Haaren