Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
19/1610 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking. Medewerkingsverplichting. Huisbezoek. Risicosfeer. Intrekking van bijstand op de grond dat appellante de op haar rustende medewerkingsverplichting heeft geschonden door tijdens het huisbezoek de berging van haar woning niet te tonen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De redelijke grond, die bij aanvang van het huisbezoek aanwezig was, deed zich nog onverkort voor toen de handhavingsmedewerkers de berging wilden zien. Onder bepaalde omstandigheden kan het weigeren van de medewerking de betrokkene niet worden tegengeworpen. Dat kan het geval zijn indien de betrokkene niet in staat is om de medewerking te verlenen door een oorzaak die buiten zijn risicosfeer ligt. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat X, zoals appellante stelt, de enige sleutels van de woning van appellante, waaronder de sleutel van de berging, had meegenomen toen hij de woning verliet, waardoor appellante de kelder/berging niet kon tonen, ligt in haar risicosfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/332
NJB 2021/1467
USZ 2021/177
JWWB 2021/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1610 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 13 april 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 26 februari 2019, 19/392 en 19/462 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Jethoe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jethoe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Drazenovic.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 4 augustus 2014 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de voormalig klantmanager van appellante dat het jongste kind van appellante sinds 30 september 2016 de achternaam van X heeft en dat X het kind heeft erkend, heeft een medewerker handhaving van de gemeente Rijswijk (handhavingsmedewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingsmedewerker onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht en appellante verzocht informatie te verstrekken, waaronder bankafschriften. Ook heeft de handhavingsmedewerker appellante opgeroepen voor een gesprek op 24 juli 2018. Omdat appellante geen gevolg had gegeven aan deze oproep, heeft het college bij besluit van 24 juli 2018 het recht op bijstand van appellante met ingang van die datum opgeschort. De handhavingsmedewerker heeft samen met een collega op 25 juli 2018 een huisbezoek afgelegd aan de woning van appellante en op 26 juli 2018 een gesprek gevoerd met appellante. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 juli 2018. Over het huisbezoek staat in het rapport, kort weergegeven, het volgende. X was tijdens het huisbezoek aanwezig. Appellante heeft op een gegeven moment tegen X gezegd dat hij een afspraak had en daar naartoe moest gaan. Even later heeft X de woning verlaten. De handhavingsmedewerkers hebben aan appellante gevraagd of zij de berging wilde tonen. Appellante heeft gezegd dat dit geen probleem voor haar is, maar dat X kennelijk haar sleutels had meegenomen. Op verzoek van de handhavingsmedewerkers heeft appellante X gebeld. Appellante gaf te kennen dat X niet opnam, maar dat dit ook klopt omdat hij zijn telefoon in haar woning had laten liggen. De handhavingsmedewerkers hebben nog tien minuten gewacht, maar X is niet teruggekomen. Appellante verklaarde dat zij niet wist hoe lang de afspraak van X duurde.

1.3.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 31 juli 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 december 2018 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van 25 juli 2018 in te trekken. Aan het bestreden besluit heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

- Primair: appellante voert een gezamenlijke huishouding met X, de vader van haar jongste dochter.

- Subsidiair: appellante heeft de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden door tijdens het huisbezoek op 25 juli 2018 de berging van haar woning niet te tonen. Dat appellante beweerdelijk geen toegang kon verschaffen tot de berging, komt voor haar rekening en risico. Als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

- Meer subsidiair: appellante heeft de inlichtingenverplichting in meerdere opzichten geschonden, te weten door niet te melden dat X haar jongste dochter heeft erkend, dat zij een rekening heeft bij een Marokkaanse bank, dat er betalingen werden gedaan van en aan X en dat zij met X naar het buitenland is geweest. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover de intrekking van bijstand berust op het voeren van een gezamenlijke huishouding. Hiertoe heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, overwogen dat de conclusie dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden onvoldoende wordt gestaafd door de daaraan ten grondslag liggende bevindingen. De voorzieningenrechter heeft vervolgens overwogen dat de door het college gegeven motivering inzake de schending van de medewerkingsverplichting en de inlichtingenverplichting de intrekking van het recht op bijstand wel kan dragen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 25 juli 2018 tot en met 31 juli 2018.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij haar medewerkingsverplichting niet heeft geschonden en wijst hierbij op het volgende. Weliswaar hebben de handhavingsmedewerkers appellante voorgehouden dat het niet kunnen tonen van de berging een probleem was, maar dit is niet van betekenis voor de beoordeling van de vraag of het voor haar rekening en risico komt dat zij op dat moment de berging niet kon tonen. De handhavingsmedewerkers hebben namelijk pas na het vertrek van X uit de woning aan appellante gevraagd of zij een berging in haar woning had. Appellante heeft toen te kennen gegeven dat dit het geval is, maar dat zij de berging niet kon tonen, omdat X haar sleutels had meegenomen. Bovendien hebben de handhavingsmedewerkers, gelet op de uitspraak van 13 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:541, appellante ten onrechte niet de mogelijkheid geboden om de berging nog diezelfde dag te tonen.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.1.

Niet in geschil is dat voorafgaand aan het huisbezoek een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek aan de woning van appellante. Deze redelijke grond hield, kort gezegd, verband met het op de onderzoeksbevindingen gebaseerde vermoeden dat X zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Appellante heeft, zo blijkt uit het door haar ondertekende ‘Informed Consent-verslag’, toestemming verleend voor het betreden van de woning, de vertrekken daarin en de daarbij behorende ruimten, dus ook voor het betreden van de berging. Anders dan appellante ter zitting van de Raad heeft gesteld, deed de redelijke grond, die bij aanvang van het huisbezoek aanwezig was, zich nog onverkort voor toen de handhavingsmedewerkers de berging wilden zien. Deze ruimte behoort immers tot de woning. Het enkele feit dat er in de overige ruimtes van de woning niet veel spullen van X zijn aangetroffen, brengt niet mee dat de bij aanvang van het huisbezoek aanwezige redelijke grond voor het huisbezoek niet meer bestond op het moment dat de handhavingsmedewerkers de berging wilden betreden.

4.3.2.

Verder is niet in geschil dat de handhavingsmedewerkers de berging niet hebben kunnen betreden en dat zij appellante erop hebben gewezen dat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat bijstand wordt ingetrokken wegens het niet volledig meewerken aan het huisbezoek. Appellante heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat het voor haar niet mogelijk was de berging te tonen, omdat X de enige sleutels die zij had, waaronder de sleutel van de berging, had meegenomen toen hij tijdens het huisbezoek haar woning verliet. Vaststaat dat de handhavingsmedewerkers appellante de gelegenheid hebben geboden X te bellen en dat dit voor appellante niet mogelijk bleek te zijn omdat X zijn telefoon in de woning van appellante had laten liggen.

4.3.3.

In het algemeen komt groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenende instantie om – zo nodig – onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie voor het huisbezoek een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief is. De bijstandverlenende instantie mag daarom van de betrokkene verlangen dat hij/zij medewerking verleent aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Onder bepaalde omstandigheden kan het weigeren van de medewerking de betrokkene echter niet worden tegengeworpen. Dat kan het geval zijn indien de betrokkene niet in staat is om de medewerking te verlenen door een oorzaak die buiten zijn risicosfeer ligt. Die situatie doet zich hier niet voor. De door appellante verleende toestemming voor het betreden van haar woning strekte zich ook uit tot de bij haar woning behorende berging. Dat X, zoals appellante stelt, de enige sleutels van de woning van appellante, waaronder de sleutel van de berging, had meegenomen toen hij de woning verliet, waardoor appellante de kelder/berging niet kon tonen, ligt in haar risicosfeer. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat volgens aan het college verstrekte informatie van de woningbouwvereniging waarbij appellante haar woning huurt, appellante drie exemplaren van alle sleutels van haar woning ‒ van de voordeur, de portiekdeur, de brievenbus en van de berging ‒ heeft ontvangen. Dat appellante twee sets sleutels is kwijtgeraakt, zoals zij ter zitting van de rechtbank heeft gesteld, en vervolgens geen enkele actie heeft ondernomen om zelf, dan wel via de woningbouwvereniging aan nieuwe (reserve)sleutels te komen, komt niet geloofwaardig over. Dat appellante er niet voor kon zorgen dat de berging van haar woning tijdens het huisbezoek kon worden betreden, kan haar dan ook wel worden tegengeworpen. Dat de handhavingsmedewerkers pas na het vertrek van X aan appellante hebben verzocht de berging te laten zien, maakt dit niet anders, alleen al omdat de handhavingsmedewerkers niet konden weten dat X bij zijn vertrek de, volgens appellante enige, sleutel van deze ruimte had meegenomen. Door appellante in de gelegenheid te stellen X te bellen en daarna, toen dat niet mogelijk bleek te zijn, nog tien minuten te wachten, hebben de handhavingsmedewerkers, gelet op de gegeven omstandigheden, appellante voldoende in staat gesteld om haar medewerkingsverplichting alsnog volledig na te komen. Het beroep op de door appellante genoemde uitspraak van 13 februari 2018 gaat alleen al daarom niet op, nog daargelaten dat, anders dan in het geval van die uitspraak appellante niet heeft aangeboden om deze ruimte op een ander moment te tonen.

4.4.

Gelet op 4.3 tot en met 4.3.3 en in aanmerking genomen dat als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, kan de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit de intrekking dragen. Om die reden hoeven de beroepsgronden die zich richten tegen de meer subsidiaire grondslag van het bestreden besluit niet te worden besproken.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.J.M. Heijs en K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2021.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.B. Beerens