Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
18/6580 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Op geld waardeerbare activiteiten. Optreden als artiest. Intrekking en terugvordering van bijstand op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij niet heeft gemeld dat hij op geld waardeerbare activiteiten verrichtte als zanger. Appellant heeft de optredens niet gemeld, als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kan vaststellen, ook niet schattenderwijs. Voor de intrekking over de maand september ontbreekt een deugdelijke grondslag. Uit de betreffende Facebookpagina blijkt alleen dat op in september de omslagfoto is gewijzigd en niet dat appellant die maand een optreden heeft verzorgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6580 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 november 2018, 18/1066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

Datum uitspraak: 19 april 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door E. Nieboer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 april 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat op 2 januari 2018 in de woning van appellant een hennepkwekerij met 343 planten is aangetroffen en ontmanteld heeft de Sociale Recherche Twente (SRT) onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de SRT onder meer openbare bronnen, zoals Facebook en YouTube, geraadpleegd en is appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 januari 2018.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 5 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juni 2018 (bestreden besluit), de aan appellant verleende bijstand in te trekken vanaf 1 april 2017, alsmede over de maanden mei 2014, september 2014, juli 2015, september 2015, oktober 2015, januari 2016, maart 2016, mei 2016, september 2016, oktober 2016, december 2016 en januari 2017 (te beoordelen periode). Ook heeft het college de in de te beoordelen periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 26.616,41 teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de hennepkwekerij en activiteiten als zanger in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan de bijstandverlenende instantie op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de PW is de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 54, derde lid, van de PW, zoals van toepassing ten tijde hier van belang, gehouden de bijstand in te trekken.

4.2.

De intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 31 oktober 2017 tot 2 januari 2018, de periode van de aangetroffen hennepkwekerij, is niet in geschil. Voor de overige maanden geldt dat het college aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd dat appellant heeft opgetreden als artiest. Dat is een op geld waardeerbare activiteit. Appellant heeft die optredens niet gemeld, als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. Met uitzondering van de maanden september 2014 en mei 2017 is niet in geschil dat appellant in de betreffende maanden optredens heeft verzorgd waarvan hij geen melding bij het college heeft gedaan. De Raad zal eerst ingaan op de twee maanden waarvan wel wordt betwist dat appellant optredens heeft verzorgd.

4.3.

Met betrekking tot de maand september 2014 heeft appellant aangevoerd dat hij op 29 september 2014 zijn omslagfoto op Facebook heeft bijgewerkt, maar dat hij geen optreden heeft gehad. Deze grond slaagt. Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Uit de betreffende Facebookpagina blijkt alleen dat op 29 september 2014 de omslagfoto is gewijzigd en niet dat appellant die maand een optreden heeft verzorgd. Met de enkele stelling dat appellant meer optredens heeft verricht dan de optredens die vermeld zijn op Facebook heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant wat betreft de maand september 2014 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aanknopingspunten voor het standpunt dat appellant in de maand september 2014 een optreden heeft verzorgd zijn er niet. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag berust.

4.4.

Met betrekking tot de maand mei 2017 heeft appellant aangevoerd dat er ook die maand geen optreden heeft plaats gevonden. Deze grond slaagt niet. Op Facebook is immers te zien dat appellant op 6 mei 2017 naar Stockholm is gevlogen en daar op 7 mei 2017 een optreden heeft verzorgd.

4.5.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij zijn optreden als zanger op 16 juli 2017 niet hoefde te melden, omdat hij toen heeft opgetreden op de bruiloft van een vriend. De optredens op 24 januari 2016, 1 mei 2016, 17 september 2016, 1 oktober 2016 en 7 januari 2017 hoefde hij niet te melden omdat die dagen sprake was van een soundcheck voor of een optreden in de kerk. Zingen in de kerk is geen op geld waardeerbare activiteit is. Deze optredens heeft hij vrijblijvend en niet tegen betaling verricht.

4.6.

Deze grond slaagt niet. De Raad stelt in dit verband voorop dat appellant zich op zijn Facebookpagina en op YouTube presenteerde als zanger. Hij had een videoclip gemaakt en op affiches werden zijn optredens in binnen- en buitenland aangekondigd. Die optredens zijn, gelet op de aard en omvang ervan, op geld waardeerbare activiteiten die onmiskenbaar van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Specifiek voor de maand juli 2017 stelt appellant dat hij op 16 juli 2017 gezongen heeft op de bruiloft van een vriend. In het midden kan blijven welke betekenis aan deze grond toekomt, omdat de feitelijke grondslag ontbreekt. Op Facebook heeft appellant een foto geplaatst met daarbij de tekst [tekst] . Enig aanknopingspunt voor het standpunt dat dit de bruiloft van een vriend van appellant was ontbreekt. Ditzelfde geldt voor de grond dat appellant optredens heeft verzorgd in de kerk. In het midden kan blijven of dat – in afwijking van wat in 4.2 is overwogen – niet op geld waardeerbare arbeid zou zijn. Ten aanzien van de dagen waarop appellant in de kerk heeft gezongen heeft de rechtbank, net als het college, terecht overwogen dat appellant zijn stelling dat hij in de kerk heeft opgetreden niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt ook op dit punt niet nader toegelicht, zodat deze grond niet slaagt omdat een feitelijke grondslag voor de grond ontbreekt.

4.7.

De grond dat het college de bijstand schattenderwijs had kunnen vaststellen slaagt evenmin. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de te beoordelen periode recht op bijstand zou hebben gehad. Hij heeft geen concrete feiten en omstandigheden benoemd en geen gegevens overgelegd om een schatting op te baseren. De stelling dat appellant op enig moment weer bijstand heeft ontvangen onder korting van optredens is onvoldoende voor een schatting van de inkomsten in de te beoordelen periode. Dat is te meer het geval nu, zoals het college ter zitting heeft aangegeven, die latere inkomsten in een andere procedure onderwerp van geschil zijn.

4.8.

Gelet op wat in 4.3 is overwogen ontbreekt een deugdelijke grondslag voor de intrekking over de maand september 2014. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd voor zover het de intrekking over de maand september 2014 betreft en, omdat de terugvordering ondeelbaar is, ook wat betreft de terugvordering. De Raad ziet tevens aanleiding het besluit van 5 april 2018 te herroepen voor zover het de intrekking over de maand september 2014 betreft. De Raad zal het college opdragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 april 2018, voor zover dat ziet op de terugvordering. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep en € 534,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.602,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de intrekking over de maand september 2014 en de terugvordering betreft;

  • -

    herroept het besluit van 5 april 2018 voor zover het de intrekking over de maand september 2014 betreft;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 5 april 2018, voor zover het de terugvordering betreft en bepaalt dat beroep tegen dit nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.602,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2021.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) W.E.M. Maas