Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
18/6387 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het college zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de ondersteuningsbehoefte van appellante. Het college heeft rekening gehouden met de rapporten van de medisch adviseur en de door appellante ingediende dagplanning. Appellante heeft op geen enkel moment in de procedure toegelicht waaruit de begeleiding door haar kinderen destijds bestond, noch in taken noch in uren. Terecht heeft de rechtbank dan ook geconcludeerd dat er voor het college geen aanknopingspunten bestonden om wegens het vertrek van de kinderen over de periode van 1 mei 2016 tot 1 juni 2018 op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening voor begeleiding van meer dan zeven uur per week in de vorm van een pgb te verstrekken. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6387 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 21 april 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 november 2018, 17/6507 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Tadema, advocaat, hoger beroep ingesteld. Op 17 februari 2020 heeft mr. Tadema zich onttrokken als gemachtigde van appellante.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door [X] als haar gemachtigde en [Y] als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Gorbaslieva en G.G. Pos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante had een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor begeleiding individueel (4 tot 6,9 uur per week) en persoonlijke verzorging (4 tot 6,9 uur per week). Voor de realisering van deze zorg is haar een persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt tot en met 2014. Uit dit pgb betaalde zij [X] op grond van een met hem gesloten zorgovereenkomst van 1 december 2013 voor persoonlijke verzorging en begeleiding voor (in totaal) vijftien uur per week. Het college heeft appellante aansluitend op de AWBZ-zorg een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb verstrekt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor begeleiding individueel voor zeven uur per week tot en met 30 april 2016.

1.2.

In het kader van een herbeoordeling op grond van de Wmo 2015 heeft het college medio 2016 onderzoek verricht en vervolgens een ondersteuningsplan van 17 augustus 2016 opgesteld op basis van onder meer gesprekken met appellante en een door een arts, werkzaam bij Trivium Plus, opgesteld sociaal medisch advies van 11 augustus 2016. In het ondersteuningsplan is opgenomen dat appellante na een overbruggingsperiode in aanmerking dient te komen voor de maatwerkvoorziening “Begeleiding medium” in natura voor drie uur per week met ingang van 1 september 2016. Omdat appellante het niet eens was met (de uitkomst van) het opgestelde ondersteuningsplan en heeft verzocht om rekening te houden met haar persoonlijke omstandigheden heeft het college bij besluit van 14 oktober 2016 (besluit 1) de verstrekking van de maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel voor zeven uur per week in de vorm van een pgb verlengd voor de periode van 1 mei 2016 tot 1 maart 2017, onder de voorwaarde dat appellante medewerking verleent aan nader medisch onderzoek om te kunnen beoordelen welke concrete individuele begeleiding noodzakelijk is.

1.3.

Bij besluit van 27 februari 2017 (besluit 2) heeft het college de verstrekking van de maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel voor zeven uur per week in de vorm van een pgb voortgezet tot 1 juni 2017, waarbij appellante is verzocht om haar standpunt dat zij 2,5 uur per dag begeleiding nodig heeft omdat haar dochter uit huis is gegaan, nader te onderbouwen.

1.4.

Bij besluit van 30 juni 2017 (besluit 3) heeft het college de verstrekking van de maatwerkvoorziening voor begeleiding individueel voor zeven uur per week in de vorm van een pgb opnieuw voortgezet tot 1 juni 2018. Hierbij heeft het college het standpunt ingenomen dat op basis van het aanvullend sociaal medisch advies van Trivium Plus van 3 december 2016, het door appellante aangeleverde taken- en urenoverzicht en de zorgovereenkomst met [X] van 1 december 2013, één uur per dag, zeven uur per week, begeleiding vanuit de Wmo 2015 meer dan voldoende is, naast de door [X] gegeven persoonlijke verzorging in het kader van de Zorgverzekeringswet. Appellante heeft geen onderbouwing geleverd voor haar standpunt dat er meer begeleiding nodig is in verband met het vertrek van haar dochter. Ook zijn onduidelijkheden over de mogelijkheid tot participatie en zich verplaatsen en de begeleiding die hierbij eventueel mogelijk is. Daarom heeft het college niet kunnen vaststellen dat zeven uur begeleiding per week onvoldoende is.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 3 november 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819), overwogen dat het college zorgvuldig onderzoek heeft verricht, door middel van gesprekken met appellante, haar dochter en [X], inschakeling van een medisch adviseur en door de door appellante opgestelde dagplanning in het onderzoek te betrekken. De stelling van appellante dat haar dochter en zoon individuele begeleiding aan haar hebben verleend toen zij nog thuis woonden, heeft zij volgens de rechtbank niet onderbouwd en uit de gedingstukken blijkt ook niet dat hiermee bij de toekenning van de AWBZ-indicatie in 2013 rekening is gehouden. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de door het college toegekende zeven uur aan individuele begeleiding over de periode van 1 mei 2016 tot 1 juni 2018 in de vorm van een pgb een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie van appellante.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het college haar argumenten voor verhoging van het aantal uren voor individuele begeleiding naar 21 uur per week niet zorgvuldig heeft onderzocht en gewogen en ten onrechte heeft vastgehouden aan de indicatie van zeven uur per week. Volgens appellante heeft zij afdoende duidelijk gemaakt dat, doordat haar beide kinderen begin 2016 uit huis zijn gegaan, er een grotere behoefte aan individuele begeleiding is ontstaan, namelijk voor 21 uur per week of in elk geval meer dan zeven uur per week.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het college zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de ondersteuningsbehoefte van appellante. Het college heeft rekening gehouden met de rapporten van de medisch adviseur en de door appellante ingediende dagplanning. Het college heeft appellante herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om haar standpunt dat zij meer begeleiding nodig heeft omdat haar beide kinderen uit huis zijn gegaan in de eerste maanden van 2016, nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het rapport dat ten grondslag lag aan de indicatie voor AWBZ-zorg uit 2013 te verstrekken. Appellante heeft op geen enkel moment in de procedure toegelicht waaruit de begeleiding door haar kinderen destijds bestond, noch in taken noch in uren. Terecht heeft de rechtbank dan ook geconcludeerd dat er voor het college geen aanknopingspunten bestonden om wegens het vertrek van de kinderen over de periode van 1 mei 2016 tot 1 juni 2018 op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening voor begeleiding van meer dan zeven uur per week in de vorm van een pgb te verstrekken.

4.2.

Wat is overwogen in 4.1 betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en H. Benek en D. HardonkPrins als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.E. van Donk