Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
18/5099 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Aanschaf dure auto’s en camper. Onduidelijkheid over financiering. Beroep op vertrouwensbeginsel stuit af op stap 1. Schending inlichtingenverplichting. Vaststellen van het recht ook al is dit nihil. Vermogen boven de vermogensgrens. Terugvordering niet te toetsen aan evenredigheid. De eerste stap in de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel brengt al mee dat de aangevoerde grond van appellant daarover niet slaagt. Appellant kon niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat het dagelijks bestuur de bijstand over een andere, latere periode niet meer zou intrekken omdat het bestuur een eerder intrekkingsbesluit over een andere periode niet had gehandhaafd. Het eerdere intrekkingsbesluit was gebaseerd op de mededeling van appellant over een ontvangen erfenis waarmee hij voertuigen had gekocht. Bij een latere verklaring is appellant hiervan teruggekomen. waarop het bestuur de bijstand over een andere, latere periode en op grond van een andere feitelijke grondslag heeft ingetrokken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet over de voertuigen kon beschikken. Gelet op de waarde van de voertuigen had het bestuur moeten concluderen dat appellant gelet op de vermogensoverschrijding geen recht op bijstand had. Het bestreden besluit is dan ook niet gebaseerd op een deugdelijke motivering. Dit leidt niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak omdat de rechtbank het besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand had kunnen laten. Omdat de PW verplicht tot terugvordering, is het niet mogelijk om een belangenafweging te maken ten aanzien van de terugvordering of om het terugvorderingsbesluit te toetsen aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/316
NJB 2021/1413
USZ 2021/191
USZ 2021/217
JWWB 2021/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5099 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 6 april 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 augustus 2018, 17/7800 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Appellant heeft ook nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [naam zoon] en mr. Mattheussens. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Frijters.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 24 april 1984 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande, op zijn adres in de gemeente Roosendaal (uitkeringsadres).

1.2.

De gemeente Roosendaal heeft op 29 juni 2015 en 15 oktober 2015 een anonieme melding ontvangen dat appellant een camper van € 80.000,- had en in een auto van € 39.000,- reed. Naar aanleiding daarvan heeft de afdeling Toezicht en Handhaving van het team Fraudebestrijding en Bouwtoezicht van de directie Dienstverlening van de gemeente Breda (afdeling Toezicht) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

1.2.1.

Uit de gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) bleek dat de volgende auto’s op naam van appellant geregistreerd stonden:

- van 24 juni 2013 tot 27 november 2014 een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken A] ;

- van 27 november 2014 tot 19 juni 2015 een Kia Sportage met kenteken [kenteken B] ;

- vanaf 19 juni 2015 een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken C] .

De VW Golf met kenteken [kenteken A] is op 22 juni 2013 gekocht bij Autobedrijf [autobedrijf A] te [plaatsnaam] ( [autobedrijf A] ) voor € 16.950,-. De Kia Sportage met kenteken [kenteken B] is op
27 november 2014 gekocht bij [autobedrijf B] ( [autobedrijf B] ) voor € 24.750,-. Daarbij is de VW Golf met kenteken [kenteken A] ingeruild voor € 12.500,-. De VW Golf met kenteken [kenteken C] is op 18 juni 2015 gekocht bij [autobedrijf A] voor € 33.850,-. Daarbij is de Kia Sportage ingeruild voor € 17.500,-.

1.2.2.

Op 30 maart 2016 is op de standplaats van de woonwagen van de zoon van appellant een camper zonder kenteken van het merk Mercedes (camper) aangetroffen. Appellant heeft op verzoek van zijn zoon de documenten van de camper, met registratienummer [registratienummer] , overhandigd aan de ambtenaar die het onderzoek ter plaatse uitvoerde. In het kader van het onderzoek is op 31 maart 2016 de verkoper van de camper gehoord.

1.2.3.

Op 6 april 2016 heeft de afdeling Toezicht appellant en zijn voormalige echtgenote afzonderlijk gehoord. Appellant heeft over de op zijn naam geregistreerde auto’s verklaard: “U vraagt hoe ik aan het geld ben gekomen. Ik heb na het overlijden van mijn moeder, ongeveer 10 jaar geleden, een erfenis gehad.” Over de aangetroffen camper heeft appellant verklaard dat hij die op 5 of 6 februari 2016 heeft gekocht in België. Hij heeft daarvoor € 36.000,- contant betaald, € 16.000,- als aanbetaling en € 20.000,- bij het afhalen van de camper op 18 februari 2016. Appellant heeft verder verklaard: “U vraagt waar ik het geld van € 36.000,- vandaan heb. Ik heb dat geld geleend van mijn schoondochter uit Iran. Ik heb daar geen schuldbekentenis voor opgemaakt tussen ons.”

1.2.4.

De bevindingen van het onderzoek staan in een rapport van 21 juni 2016.

1.3.

De resultaten van het onderzoek waren voor het dagelijks bestuur aanleiding om bij besluit van 19 december 2016 de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 2 april 2005 tot en met 10 maart 2012 en ook de over 2011 tot en met 2014 verleende langdurigheidstoeslag. Daarbij heeft het dagelijks bestuur ook de gemaakte kosten van bijstand over die periode en de over de jaren 2011 tot en met 2014 verleende langdurigheidstoeslag teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 92.350,60. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant een erfenis heeft ontvangen van zijn op 2 april 2005 overleden moeder. Die erfenis bedroeg volgens het dagelijks bestuur, gelet op de som van de bedragen die appellant heeft uitgegeven aan de hiervoor vermelde motorvoertuigen, € 78.550,-. Daarmee is op die datum de voor appellant geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 5.105,- overschreden.

1.4.

In bezwaar tegen dit besluit heeft appellant meegedeeld dat hij weliswaar op 6 april 2016 heeft verklaard dat de gelden voor de aanschaf van de auto’s afkomstig waren van de erfenis van zijn moeder, maar dat die erfenis maar ongeveer € 1.200,- bedroeg. Hij heeft voor de aanschaf van de camper € 36.000,- geleend van zijn schoondochter. De eigendom van de camper is op 1 mei 2016 op haar overgegaan, omdat hij het geleende bedrag niet kon terugbetalen. Daarbij heeft hij gewezen op een door hem in bezwaar overgelegde leenovereenkomst, opgemaakt op 1 mei 2016. Verder heeft hij erop gewezen dat de auto’s en de camper zijn gekocht na de periode waarover de bijstand van hem wordt teruggevorderd, zodat die aankopen geen betrekking hebben op die periode.

1.5.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 7 maart 2017, naar aanleiding van de nadere informatie over de erfenis en de overgelegde leenovereenkomst, het besluit van 19 december 2016 ingetrokken en het bezwaar aangemerkt als mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 maart 2017. Verder heeft het dagelijks bestuur daarbij appellant verzocht het bezwaar in te trekken wegens het ontbreken van enig belang bij handhaving ervan. Appellant heeft het bezwaar op 21 maart 2017 ingetrokken.

1.6.

De resultaten van het onder 1.2 vermelde onderzoek en de onder 1.4 vermelde bezwaren waren voor het dagelijks bestuur aanleiding om vervolgens bij besluit van 9 mei 2017 de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 22 juni 2013 tot en met 12 april 2016 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode terug te vorderen tot een bedrag van € 47.958,71.

1.7.

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 24 oktober 2017 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2017 gegrond verklaard voor zover dit de hoogte van het teruggevorderde bedrag betreft en dit bedrag gewijzigd in € 41.095,02. Voor het overige heeft het dagelijks bestuur het besluit van 9 mei 2017 gehandhaafd. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd, zoals ter zitting nader toegelicht, dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij dure auto’s en een camper had aangeschaft en op zijn naam had laten registreren. De voertuigen zijn bestanddelen van het vermogen van appellant. Omdat die contant zijn betaald, is niet te controleren hoe die zijn gefinancierd. De gestelde lening is niet aannemelijk gemaakt. Daardoor is het niet mogelijk om over de periode 22 juni 2013 tot en met 12 april 2016 het recht op bijstand vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 22 juni 2013 tot en met 12 april 2016.

Vertrouwensbeginsel

4.2.

Als meest verstrekkende beroepsgrond heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Hij stelt dat het dagelijks bestuur met het besluit van 7 maart 2017 bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de onderzoeksgegevens geen aanleiding meer zouden zijn om de hem verleende bijstand in te trekken. Hij wijst erop dat daarna geen nieuwe gegevens bekend zijn geworden. Deze beroepsgrond slaagt niet, gelet op de volgende overwegingen.

4.2.1.

Deze beroepsgrond vergt een beoordeling in drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept: kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, volgt de derde stap: wat is de betekenis van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid?

4.2.2.

Wat appellant heeft aangevoerd gaat over de eerste stap. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.

4.2.3.

Het besluit van 7 maart 2017 is een uitlating van een bestuursorgaan. Het standpunt van appellant, dat het dagelijks bestuur daarmee heeft toegezegd dat de tot dan toe bekende gegevens geen grond zijn om de bijstand in te trekken, is om de volgende reden niet juist.

4.2.4.

Het besluit van 19 december 2016, waarbij de bijstand over de periode van
2 april 2005 tot en met 10 maart 2012 werd ingetrokken, was gebaseerd op de vooronderstelling van het dagelijks bestuur dat appellant op 2 april 2005 een erfenis van € 78.550,- had ontvangen. Dat bedrag was gebaseerd op de som van de voor de auto’s en de camper betaalde bedragen. Uitgaande van dat bedrag heeft het dagelijks bestuur geconlcudeerd dat het vermogen van appellant door de ontvangst van de erfenis de grens van het vrij te laten vermogen had overschreden. Het dagelijks bestuur is van dat besluit teruggekomen bij besluit van 7 maart 2017. Dat besluit is gebaseerd op de mededeling van appellant op 7 februari 2017 dat de erfenis € 1.200,- bedroeg en op de onderbouwing van zijn stelling dat hij de camper heeft gefinancierd met geleend geld. Op grond van die informatie heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat het vermogen van appellant over de periode van 2 april 2005 tot en met 10 maart 2012 de vermogensgrens niet overschreed, zodat de intrekking van de bijstand over die periode ongedaan moest worden gemaakt. Hiermee heeft het dagelijks bestuur niets gezegd over de vraag of het recht op bijstand over een periode daarna, namelijk de periode van 22 juni 2013 tot en met 12 april 2016, was vast te stellen.

4.2.5.

Dat het dagelijks bestuur op 7 maart 2017 al op de hoogte was van de aankoop van de voertuigen, maakt nog niet dat appellant erop mocht vertrouwen dat die feiten geen betekenis konden hebben voor de vaststelling van het recht op bijstand over de periode van 22 juni 2013 tot en met 12 april 2016. Het bezit van de voertuigen en de wijze van financiering ervan hadden – zoals appellant zelf ook in zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 19 december 2016 heeft opgemerkt – geen betrekking op de periode van 2 april 2005 tot en met 10 maart 2012. Zonder duidelijkheid over de financiering kon het dagelijks bestuur niet vaststellen of appellant in de periode waarin de voertuigen zijn aangeschaft in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.2.6.

Uit het voorgaande volgt dat van een als toezegging te beschouwen uitlating in de zin van 4.2.2 geen sprake is. De beoordeling van de eerste stap brengt dus al mee dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Appellant kon niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat het dagelijks bestuur de bijstand over de periode van 22 juni 2013 tot en met 12 april 2016 niet zou intrekken. Het was wel, zoals appellant heeft betoogd, op zijn plaats geweest als het dagelijks bestuur hem in het besluit van 7 maart 2017 had meegedeeld dat de tenaamstelling van de auto’s en het bezit van de camper van betekenis konden zijn voor het recht op bijstand over de periode waarin die voertuigen op zijn naam waren geregistreerd en de camper was aangeschaft en dat hierover nog een besluit zou kunnen volgen. Maar dat het dagelijks bestuur dit achterwege heeft gelaten, maakt niet dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel.

Inlichtingenverplichting

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij heeft gesteld dat hij de registratie van elk van de auto’s op zijn naam telefonisch heeft gemeld bij het dagelijks bestuur. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij de aankoop van de camper niet hoefde te melden, omdat hij die in België had gekocht en niet voor 28 april 2016 in Nederland heeft ingevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.1.

Het dagelijks bestuur heeft betwist dat appellant telefonisch melding heeft gemaakt van de registratie van de auto’s op zijn naam. Uit de overgelegde telefoonnotities die zijn gemaakt in de te beoordelen periode blijkt niet dat appellant op enig moment heeft doorgegeven dat de auto’s op zijn naam waren geregistreerd. Appellant heeft zijn stelling dat hij dit wel heeft gedaan niet onderbouwd met enig concreet gegeven. Daarbij komt dat appellant niets in de weg stond om, zo nodig met behulp van een ander, de kentekenregistraties via het daartoe bestemde formulier aan het dagelijks bestuur door te geven. Dat appellant zijn meldingen niet kan bewijzen, komt daarom voor zijn risico.

4.3.2.

Appellant heeft gesteld dat het risico op dit punt bij het dagelijks bestuur hoort te liggen, omdat hij met het dagelijks bestuur had afgesproken dat hij gegevens telefonisch mocht doorgeven omdat hij analfabeet is. Ook deze stelling heeft het dagelijks bestuur betwist en ook hierover heeft appellant geen enkel concreet gegeven overgelegd. Van de juistheid van die stelling kan daarom niet worden uitgegaan. Deze stelling leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

4.3.3.

Ook bezittingen in het buitenland van een bijstandgerechtigde zijn van belang voor het recht op bijstand. De vooronderstelling van appellant dat hij de aankoop van de camper voor € 36.000,- niet bij het dagelijks bestuur hoefde te melden, komt voor zijn rekening en risico. Het had op de weg van appellant gelegen om contact op te nemen met het dagelijks bestuur om te onderzoeken of die vooronderstelling juist was. Hij heeft dit niet gedaan.

Vaststelling recht op bijstand

4.4.

Uit 4.3 tot en met 4.3.3 volgt dat appellant, door de kentekenregistraties van de auto’s en de aankoop van de camper niet te melden, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellant heeft gesteld dat de auto’s zijn gekocht en betaald door zijn zoon en dus niet zijn eigendom waren. Verder heeft hij gesteld dat tegenover het bezit van de camper een schuld stond en dat bovendien de camper pas op 28 april 2016 in Nederland is ingevoerd. Deze beroepsgrond is zo op te vatten dat het vermogen van appellant, en daarmee zijn recht op bijstand, wel was vast te stellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.5.1.

Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van de betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij/zij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie moet de betrokkene aannemelijk maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd.

4.5.2.

Appellant heeft zijn stelling dat de auto’s zijn gekocht door zijn zoon en dat hij er dus niet over kon beschikken niet aannemelijk gemaakt. In de nota’s van [autobedrijf A] en [autobedrijf B] staat appellant als koper vermeld. In hoger beroep heeft appellant een verklaring overgelegd van 1 september 2018 van X, werkzaam bij [autobedrijf B] , over de aankoop van de Kia Sportage met kenteken [kenteken B], en een verklaring van 3 september 2018 van Y, werkzaam bij [autobedrijf A] , over de aankoop van de Volkswagen Golf met kentekens

[kenteken A] . Uit deze verklaringen blijkt niet dat de auto’s met geld van de zoon zijn betaald. Daarvoor zijn de verklaringen, die achteraf uit de herinnering zijn opgesteld, niet concreet genoeg. Het gegeven dat een verzekeringsmaatschappij op 22 janauri 2018 een bedrag aan schadevergoeding voor de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken C] heeft uitgekeerd aan de zoon van appellant, is geen toereikende onderbouwing van de stelling dat appellant in de te beoordelen periode niet kon beschikken over die auto. Zijn stelling dat hij met de auto’s alleen zijn kleinkinderen van school haalde, betekent ook niet dat hij niet over de auto’s kon beschikken. Hij heeft ter zitting ook niet ontkend dat het in zijn macht lag om de auto’s te verkopen. Dat hij dat kon, blijkt bovendien uit het feit dat appellant bij de aankoop van de Kia Sportage de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken A] heeft ingeruild en bij de aankoop van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken C] de Kia Sportage.

4.5.3.

Dat de camper pas op 28 april 2016 in Nederland is ingevoerd, zoals appellant heeft gesteld, betekent niet dat appellant daarover niet direct na aankoop ervan kon beschikken. Dit stond er dan ook niet aan in de weg dat de camper direct werd aangemerkt als bestanddeel van het vermogen van appellant. Ook bezittingen die zich buiten Nederland bevinden, zijn immers van betekenis voor de mate waarin de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

4.5.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat tegenover de waarde van de camper een schuld stond aan zijn schoondochter. De door hem overgelegde Overeenkomst Geldlening is gedateerd op 1 mei 2016. Daarin staat dat de uitlener, de schoondochter van appellant, aan de lener, appellant, € 36.000,- ter beschikking stelt en dat, enige tijd later, de uitlener, toen de lener geen kans zag het bedrag van € 36.000,- terug te betalen, heeft besloten de camper voor zichzelf te houden. Aan deze overeenkomst komt niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien, nu die achteraf is opgemaakt en niet wordt ondersteund door enig concreet gegeven.

4.6.

Uit 4.5.1 tot en met 4.5.4 volgt dat appellant er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij, als hij de inlichtingenverplichting was nagekomen, recht op bijstand had gehad. Hij heeft, gegeven de gestelde geringe omvang van de erfenis van zijn moeder en het ontbreken van toereikend bewijs voor de gestelde geldlening, geen inzicht gegeven in de manier waarop hij de auto’s en de camper heeft gefinancierd.

4.7.

Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient de bijstandverlenende instantie daartoe over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243). Deze situatie doet zich hier voor. Gelet op de waarde van de auto’s en de camper had het dagelijks bestuur moeten concluderen dat het vermogen van appellant in de te beoordelen periode de grens van het vrij te laten vermogen overschreed, zodat appellant geen recht op bijstand had. Het bestreden besluit is dan ook niet gebaseerd op een deugdelijke motivering.

4.8.

De rechtbank heeft wat onder 4.7 is overwogen niet onderkend, maar de Raad zal de aangevallen uitspraak niet om die reden vernietigen. De rechtbank had het bestreden besluit namelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen laten, omdat appellant door het gebrek van het bestreden besluit niet is benadeeld. Ook op grond van de juiste motivering, zoals onder 4.7 weergegeven zou de bijstand van appellant over de te beoordelen periode moeten worden ingetrokken.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan appellant over de te beoordelen periode ten onrechte bijstand is verleend als gevolg van het feit dat hij zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Het dagelijks bestuur was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de PW verplicht om de aan appellant verleende bijstand in te trekken.

Terugvordering

4.10.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur van terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand had moeten afzien of het teruggevorderde bedrag had moeten matigen. Het dagelijks bestuur heeft volgens hem te lang gewacht met de intrekking van de bijstand over de te beoordelen periode, na de ontvangst van de anonieme meldingen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.10.1.

Zoals onder 4.9 is overwogen, heeft het dagelijks bestuur terecht de aan appellant over de te beoordelen periode verleende bijstand ingetrokken op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting niet was nagekomen, waardoor hij ten onrecht bijstand heeft ontvangen. Dit betekent dat het dagelijks bestuur op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW verplicht was om de kosten van over die periode verleende bijstand en langdurigheidstoeslag terug te vorderen.

4.10.2.

Omdat de PW verplicht tot terugvordering, is het niet mogelijk om een belangenafweging te maken of om het terugvorderingsbesluit te toetsen aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

4.10.3.

Voor zover appellant met deze beroepsgrond heeft bedoeld een beroep te doen op dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW slaagt deze beroepsgrond ook niet. Dergelijke dringende redenen doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Wat appellant heeft aangevoerd, is geen dringende reden als hier bedoeld.

4.11.

Wat onder 4.1 tot en met 4.10.3 is overwogen, betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt, gelet op 4.8 met verbetering van gronden, bevestigd.

5. Wat onder 4.8 is overwogen, geeft aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep en op € 1.068,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.136,-;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en M. Hillen en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.I.S. van Haaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) R.I.S. van Haaren