Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
20/2783 WIA-V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

De uitspraak van de Raad van 29 december 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Hoewel de door appellant geschetste feiten en omstandigheden te betreuren zijn is de Raad van oordeel dat in het geval dat het griffierecht niet of niet tijdig wordt voldaan door het handelen van een bewindvoerder, dit voor rekening en risico van appellant komt. Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 22 april 2021

20/2783 WIA-V

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2020, 19/5389 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 29 december 2020 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Appellant heeft verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 9 april 2021, waar appellant is verschenen.

Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 29 december 2020 berust op de overwegingen dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant te kennen gegeven veel problemen te hebben gehad met zijn bewindvoerder. De bewindvoerder doet niets met zijn post en heeft waarschijnlijk ook niets gedaan met de factuur die appellant hem had toegezonden. Appellant wil niet meer onder bewind staan en is daar per 1 juni 2021 vanaf maar is nu nog voor zijn financiƫn afhankelijk van een bewindvoerder.

Hoewel de door appellant geschetste feiten en omstandigheden te betreuren zijn is de Raad van oordeel dat in het geval dat het griffierecht niet of niet tijdig wordt voldaan door het handelen van een bewindvoerder, dit voor rekening en risico van appellant komt.

Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) E.M. Welling