Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:90

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2021
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
20/1002 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 14 januari 2021

20/1002 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het geding tussen:

Partijen:

[appellante] te [woonplaats], Israël (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 25 november 2019, kenmerk BZ011324661.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.

Bij brief van 22 april 2020 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 48,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 23 mei 2020 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Bij aangetekende brief van 10 september 2020 is appellante gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de in die brief genoemde bankrekening dan wel contant moet zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

De Raad stelt vast dat het griffierecht op 28 oktober 2020 is ontvangen en derhalve niet binnen de gestelde termijn is betaald.

Voorts geldt in artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet het volgende.

Op grond van artikel 44 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift in dit geval, in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dertien weken. Gelet op het bepaalde in artikel 6:8 van de Awb gaat de termijn in op de dag na die waarop het bestreden besluit door middel van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Het besluit waartegen beroep is ingesteld is bij brief van 25 november 2019 aan appellante bekendgemaakt.

Het beroepschrift is op 4 maart 2020 bij verweerder ontvangen en op 10 maart 2020 bij de Raad binnengekomen. De laatste dag om tijdig een beroepschrift in te dienen was 24 februari 2020.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Bij brief van 23 april 2020 is aan de gemachtigde van appellante gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.

De gemachtigde van appellante heeft daarop bij brief van 17 mei 2020 geantwoord dat het beroepschrift op 28 januari 2020 is verzonden en dat het door de Israëlische posterijen komt dat het te laat bij de Raad is binnengekomen.

Wat appellante heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

In dat verband wordt overwogen dat in situaties als de onderhavige het uitgangspunt geldt dat het risico dat het beroep niet tijdig is ingediend, volledig voor rekening komt van de partij die het beroep instelt. Van belang hierbij is dat verweerder appellante heeft gewezen op de beroepstermijn van dertien weken.

Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2021.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) K.R. van Renswoude

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.