Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
19/2944 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete, schending inlichtingenverplichting, inkomen in de vorm pensioen.

Vaststaat dat appellanten niet onverwijld en uit eigen beweging bij het college hebben gemeld dat appellant met ingang van 1 januari 2018 pensioen ontving. Hieruit volgt dat het college heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Dat de ontvangst van het pensioen enkele maanden later alsnog bij het college bekend is geworden, betekent niet dat appellanten geen melding hadden hoeven maken. Niet kan worden gezegd dat van het niet onverwijld en uit eigen beweging melden van het pensioen iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Dat appellanten de informatie niet bewust hebben verzwegen, zij de werkzaamheden die zij verrichtten wel altijd hebben opgegeven en zij de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, zijn geen omstandigheden die in onderlinge samenhang beschouwd leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2944 NIOAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 juni 2019, 18/2267 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)

Datum uitspraak: 6 april 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nader gereageerd.

Partijen hebben niet heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen, in aanvulling op inkomsten uit arbeid, een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering), naar de grondslag voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal uit een geautomatiseerde bestandsvergelijking tussen de gemeente Zwolle en het Inlichtingenbureau van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat appellant met ingang van 1 januari 2018 inkomsten had uit een ouderdomspensioen van ASR Levensverzekering N.V. (pensioen) heeft het college appellanten op 17 april 2018 verzocht het toekenningsbesluit van het pensioen en alle specificaties daarvan te verstrekken. Op 23 april 2018 heeft het college de gevraagde gegevens ontvangen.

1.3.

Op basis van de ontvangen gegevens heeft het college bij besluit van 9 mei 2018 (besluit 1) de IOAW-uitkering met ingang van 1 januari 2018 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2018 ten onrechte ontvangen IOAW-uitkering tot een bedrag van € 1.982,04 van appellanten teruggevorderd. Na verrekening van gereserveerd vakantiegeld bedraagt het bedrag van de terugvordering € 1.405,88. Het college heeft aan besluit 1 ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant met ingang van 1 januari 2018 inkomsten uit het pensioen ontvangt. Aangezien het totale inkomen van appellanten meer bedraagt dan de voor hen van toepassing zijnde norm hebben appellanten met ingang van 1 januari 2018 geen recht meer op IOAW-uitkering.

1.4.

Bij besluit van 24 mei 2018 (besluit 2) heeft het college appellanten een boete opgelegd van € 991,02. Daarbij is het college uitgegaan van gewone verwijtbaarheid.

1.5.

Bij besluit van 8 november 2018 (besluit 3) heeft het college de maandelijkse aflossing op de twee vorderingen met ingang van 1 december 2018 op € 50,- vastgesteld.

1.6.

Bij besluit van 28 november 2018 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen besluit 3 gegrond verklaard en besluit 3 herroepen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het de boete betreft. Appellanten hebben aangevoerd dat zij de op hen rustende inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Appellanten hebben weliswaar niet tijdig het bedrag van het pensioen doorgegeven, maar dit betekent niet zonder meer dat de inlichtingenverplichting is geschonden. Appellant heeft dit pensioen in februari 2018 ontvangen en dit is bij het college niet veel later, namelijk in april 2018, bekend geworden. Daar komt bij dat appellanten de werkzaamheden die zij verrichtten altijd opgaven. Van een bewuste verzwijging is dus geen sprake. De boete is derhalve ten onrechte opgelegd, of moet worden vastgesteld op een lager bedrag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 20a van de IOAW legt het college een bestuurlijke boete op indien belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, met dien verstande dat de tekst van artikel 20a van de IOAW en van de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), zoals deze per 1 januari 2017 luiden, van toepassing is.

4.2.

De beroepsgrond dat appellanten niet de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden, slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

Artikel 13, eerste lid, eerste volzin, van de IOAW luidt als volgt: “De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.”

4.2.2.

Vaststaat dat appellanten niet onverwijld en uit eigen beweging bij het college hebben gemeld dat appellant met ingang van 1 januari 2018 pensioen ontving. Hieruit volgt dat het college heeft aangetoond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Dat de ontvangst van het pensioen enkele maanden later alsnog bij het college bekend is geworden, betekent niet dat appellanten geen melding hadden hoeven maken van het met ingang van 1 januari 2018 ontvangen pensioen.

4.3.

De beroepsgrond dat de schending van de inlichtingenverplichting appellanten niet is te verwijten, slaagt ook niet. Niet kan worden gezegd dat van het niet onverwijld en uit eigen beweging melden van het pensioen iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellanten hebben geen gegevens naar voren gebracht die tot dat oordeel zouden kunnen leiden. Daarmee staat vast dat het college op grond van artikel 20a van de IOAW verplicht was een boete op te leggen.

4.4.

De beroepsgrond dat de schending van de inlichtingenverplichting appellanten niet ten volle kan worden verweten, slaagt evenmin. Een situatie als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit doet zich hier niet voor. Appellanten hebben pas nadat het college had geconstateerd dat zij de inlichtingenverplichting ten aanzien van hun financiële situatie hadden geschonden de informatie over het pensioen verstrekt. Dat appellanten de informatie niet bewust hebben verzwegen, zij de werkzaamheden die zij verrichtten wel altijd hebben opgegeven en zij de Nederlandse taal niet goed machtig zijn, zijn geen omstandigheden die in onderlinge samenhang beschouwd leiden tot verminderde verwijtbaarheid. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete zijn het college en de rechtbank dan ook terecht uitgegaan van gewone verwijtbaarheid, waarbij de hoogte van de boete wordt bepaald op basis van 50% van het benadelingsbedrag. Dit betekent dat in geval van appellanten een boete van € 991,02 evenredig is.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J.A. Achterberg