Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
20/491 WAO-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. De Raad sluit zich aan bij wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 9 tot en met 12 van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat appellant bij zijn herhaalde aanvraag en in bezwaar geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft genoemd in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit evident onredelijk is voor zover dat de beoordeling voor het verleden betreft. Voor zover de aanvraag van appellant betrekking heeft op de toekomst, voldoet deze volgens de rechtbank niet aan de eis van een deugdelijke en toereikende onderbouwing. Voor zover appellants aanvraag strekt tot het doen van een beroep op een regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid, geldt dat appellant in dit verband geen relevante gegevens naar voren heeft gebracht die het Uwv hadden moeten nopen tot het doen van onderzoek. Het Uwv was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehouden nader onderzoek te doen en heeft appellants verzoek om herziening mogen afwijzen. Wat betreft de in hoger beroep door appellant ingezonden medische stukken wordt geoordeeld dat dit geen nieuwe feiten zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 491 WAO-PV

Datum uitspraak: 9 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2019, 19/2110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: L.R. Kokhuis

Partijen zijn niet ter zitting verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 5 maart 2019 ongegrond verklaard. Bij dat besluit is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 januari 2019, waarin het Uwv heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 3 juni 1997, ongegrond verklaard. Bij het besluit van 3 juni 1997 heeft het Uwv geweigerd appellant per 18 november 1993 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen omdat hij minder dan 25% onderscheidenlijk 15% arbeidsongeschikt was in de zin van

die wetten.

De Raad sluit zich aan bij wat de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 9 tot en met 12 van de aangevallen uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat appellant bij zijn herhaalde aanvraag en in bezwaar geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft genoemd in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stukken die hij bij zijn brief van 20 maart 2019 heeft gevoegd zijn niet aan te merken als nieuwe feiten, reeds omdat appellant die stukken – voor zover die niet al in de eerdere procedures zijn betrokken – eerder had kunnen overleggen. Ook kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit evident onredelijk is voor zover dat de beoordeling voor het verleden betreft. Voor zover de aanvraag van appellant betrekking heeft op de toekomst, voldoet deze volgens de rechtbank niet aan de eis van een deugdelijke en toereikende onderbouwing. Appellant heeft immers niet uiterlijk in de bezwaarfase feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding moesten geven tot nader onderzoek door het Uwv of waaruit kan worden opgemaakt dat het eerdere besluit niet juist is. Voor zover appellants aanvraag strekt tot het doen van een beroep op een regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid, geldt dat appellant in dit verband geen relevante gegevens naar voren heeft gebracht die het Uwv hadden moeten nopen tot het doen van onderzoek. Het Uwv was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehouden nader onderzoek te doen en heeft appellants verzoek om herziening mogen afwijzen.

Wat betreft de in hoger beroep door appellant ingezonden medische stukken wordt geoordeeld dat dit geen nieuwe feiten zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze stukken waren al bekend ten tijde van het besluit waarvan thans herroeping wordt verzocht en/of zijn al in de eerder gevoerde procedures door appellant overgelegd, dan wel hebben geen betrekking op de datum in geding, 18 november 1993.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) L.R. Kokhuis (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen