Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
20/702 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante had over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019 geen recht op kinderbijslag. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellante op de peildata van de kwartalen in geding terecht (nog) niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 702 AKW

Datum uitspraak: 16 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 januari 2020, 19/3414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door [X], juridisch medewerker van het kantoor van de gemachtigde van appellante. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Pieterse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 18 december 2018 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor haar kinderen [A], geboren op [geboortedatum 1] 2010, en [B], geboren op [geboortedatum 2] 2011. Bij besluit van 17 januari 2019 is de aanvraag afgewezen omdat appellante over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019 geen recht heeft op kinderbijslag.

1.2.

Het bezwaar dat appellante tegen het besluit van 17 januari 2019 heeft gemaakt, is ongegrond verklaard bij besluit van 14 mei 2019 (bestreden besluit). Daarbij is overwogen dat appellante op de peildata 1 oktober 2018 en 1 januari 2019 niet verzekerd was voor de AKW, omdat zij toen niet in Nederland woonde of werkte.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanvraag terecht afgewezen, omdat appellante op de peildata nog niet verzekerd was voor AKW omdat toen (nog) geen sprake was van ingezetenschap. Volgens de rechtbank zijn er te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat appellante op de peildata een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De intentie alleen om zich (weer) definitief in Nederland te vestigen is daarvoor niet genoeg. Voor de rechtbank is daarbij van belang dat appellante op de peildata niet beschikte over zelfstandige woonruimte en nog geen werk verrichtte of slechts werkte op basis van een oproepcontract en aangewezen was op een bijstandsuitkering.

3.1.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019. Op en na 1 oktober 2018 waren er volgens haar voldoende aanknopingspunten om een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland aan te nemen. Daarbij is vooral van belang dat appellante eerder lang in Nederland heeft gewoond. Het was nooit haar bedoeling definitief naar Suriname terug te keren. Het was lastig voor appellante om eerder dan in 2018 weer naar Nederland te komen, omdat de woning in Suriname was afgebrand en zij niet genoeg geld had voor de reis. Appellante heeft aangevoerd dat zij vanaf 1 oktober 2018 in loondienst werkzaam is geweest. Haar kinderen gaan in Nederland naar school. Appellante heeft veel sociale contacten in Nederland. Betoogd is dat het appellante niet mag worden aangerekend dat het haar nog niet is gelukt een eigen woning te vinden omdat er lange wachttijden voor een woning zijn.

3.2.

De Svb heeft het standpunt ingenomen dat er geen recht is op kinderbijslag in de kwartalen in geding. Wat betreft het ingezetenschap is benadrukt dat appellante op de peildata niet over zelfstandige woonruimte in Nederland beschikte en zij niet (in loondienst) werkzaam was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is of appellante recht op kinderbijslag heeft over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019. In dit verband is beslissend of appellante op de peildata van deze kwartalen ingezetene van Nederland was.

4.2.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908. Voor het aannemen van een duurzame band met Nederland moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval.

4.4.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de Svb appellante op de peildata van de kwartalen in geding terecht (nog) niet als ingezetene van Nederland heeft aangemerkt, omdat zij toen nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. De rechtbank heeft alle relevante omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd. Terecht heeft de rechtbank van belang geacht dat appellante in die kwartalen niet beschikte over een duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte. Appellante heeft toegelicht dat zij na haar aankomst een periode heeft ingewoond bij haar broer en later, toen inwonen bij haar broer niet meer mogelijk was, bij een ander familielid. Appellante heeft voorts in Nederland op 1 oktober 2018 nog geen werkzaamheden verricht. Weliswaar heeft appellante gewerkt in november en december 2018 en mogelijk ook al in oktober 2018. Dit betrof echter oproepwerkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst voor minimaal drie uur per week. Niet in geschil is dat de werkzaamheden in december 2018 zijn gestopt en appellante pas weer vanaf half maart 2019 opnieuw werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht.

4.5.

De overige omstandigheden die appellante heeft aangedragen zijn onvoldoende om een duurzame band van persoonlijke aard aan te nemen. In het licht van de omstandigheden genoemd in overweging 4.4 komt onvoldoende gewicht toe aan het feit dat zij en haar kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, appellante in Nederland is opgegroeid en zij sociale contacten in Nederland heeft. Aan deze conclusie kan niet afdoen dat appellante aanvankelijk bedoeld heeft voor een korte periode van vakantie naar Suriname te gaan. Appellante heeft bij vertrek, ondanks deze bedoeling, haar huurwoning in Nederland opgezegd en is naar Suriname gegaan om daar bij haar ouders te verblijven. Zij is ruim vijf jaar in Suriname geweest en heeft daar werkzaamheden verricht. De Raad begrijpt dat het voor appellante na de woningbrand zeer moeilijk was om naar Nederland terug te keren en dat zij geld heeft moeten sparen voor de reis. Deze redenen voor de onvoorziene lange duur van het verblijf in Suriname doen er echter niet aan af dat de band met Nederland toen minder sterk is geworden en zij het ingezetenschap heeft verloren.

4.6.

Appellante heeft gewezen op de overeenkomsten tussen haar situatie en feiten en omstandigheden die aan de orde waren in de uitspraak van de Raad van 10 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2693) De woon- en werksituatie van appellante na haar terugkeer vertoont inderdaad gelijkenissen met die in de genoemde uitspraak. Toch is haar situatie niet met de uitspraak op één lijn te stellen. Dit gelet op het feit dat de betrokkene in die uitspraak weliswaar inwonend was bij haar moeder, en dus geen zelfstandige woonruimte had, doch deze woonruimte wel duurzaam tot haar beschikking had. Appellante kon niet langdurig blijven inwonen bij de diverse familieleden in Nederland terwijl dat blijkbaar wel bij haar familie in Suriname kon. Appellante heeft gebruik moeten maken van een briefadres van [Naam intelling] te [woonplaats], een instelling voor daklozen- en andere zorg, terwijl betrokkene in de genoemde uitspraak zich kon inschrijven op het adres van haar moeder waar zij duurzaam verbleef. Voorts waren er andere zeer bijzondere omstandigheden, waaronder de zwangerschap van de betrokkene ten tijde van de terugkeer en haar bevalling met medische complicaties kort daarna. De rechtbank heeft terecht de Svb gevolgd in het standpunt dat de weging van alle omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een duurzame band met Nederland op de peildata in geding waardoor appellante toen (nog) niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt.

4.7.

Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij op de peildata in verband met het verrichten van arbeid in loondienst aan de loonbelasting was onderworpen in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AKW. Niet in geschil is dat vóór of op 1 oktober 2018 geen sprake is geweest van het verrichten van werkzaamheden in loondienst in Nederland. Weliswaar is aannemelijk dat appellante in november en december 2018 - de in overweging 4.4 vermelde - oproepwerkzaamheden heeft verricht. Nu deze werkzaamheden in december 2018 zijn geëindigd en appellante pas vanaf half maart 2019 weer werkzaamheden in dienstbetrekking heeft verricht, kan echter niet worden aangenomen dat appellante op 1 januari 2019 in verband met werkzaamheden in dienstbetrekking aan de loonbelasting was onderworpen.

4.8.

Uit overweging 4.1 tot en met 4.7 volgt dat appellante over het vierde kwartaal van 2018 en het eerste kwartaal van 2019 geen recht had op kinderbijslag, omdat zij op de peildata van deze kwartalen niet verzekerd was voor de AKW.

4.9.

Gelet op overweging 4.8 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2021.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.H. Koopman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde of ingezetene.