Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
19/5375 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van de kosten van loopbaangesprekken. Uit de omstandigheid dat appellante zich in een re-integratietraject bevond en al eerder op kosten van de minister een coachingstraject had doorlopen, had zij niet zomaar mogen afleiden dat zij weer op kosten van de minister een coachingstraject mocht volgen. Uit het dossier leidt de Raad af dat appellante in het tijdvak 15 november 2018 tot 17 december 2018 niet gedurende ten minste vier aaneengesloten weken volledig arbeidsgeschikt is geweest. Dat appellante haar werkzaamheden na de hersteldmelding van 15 november 2018 niet volledig heeft hervat, mag (deels) het gevolg zijn van een arbeidsconflict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2021/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5375 AW

Datum uitspraak: 15 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

21 november 2019, 19/6376 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Buitenlandse Zaken (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.F. Lansbergen hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Meijer en drs. N. van der Lee.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

2.1.

Appellante was sinds 1 januari 1998 werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, laatstelijk in de functie van [functie] bij de Dienst [Dienst] ([Dienst]).

2.2.

Op 15 september 2017 is appellante wegens ziekte uitgevallen. Op 15 november 2018 is appellante hersteld gemeld. Op 17 december 2018 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld.

2.3.

Op 15 oktober 2018 heeft appellante de minister verzocht om de kosten van een traject bij Talamanca Coaching voor zijn rekening te nemen.

2.4.

Bij besluit van 19 april 2019 heeft de minister appellante meegedeeld de kosten van de loopbaangesprekken bij Talamanca Coaching niet te vergoeden omdat zij voor het voeren van die gesprekken niet eerder met de minister heeft gesproken en afspraken heeft gemaakt en op eigen houtje tot die loopbaangesprekken heeft besloten.

2.5.

Na het voornemen daartoe aan appellante bekend te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van haar zienswijze daarover heeft de minister bij besluit van 20 mei 2019 appellante meegedeeld dat het tweede ziektejaar is ingegaan op 15 september 2018 en dat van een nieuwe ziekteperiode per 17 december 2018 geen sprake is.

2.6.

Bij besluit van 3 september 2019 (bestreden besluit) heeft de minister de tegen de besluiten van 19 april 2019 en 20 mei 2019 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.7.

Bij besluit van 24 december 2019 heeft de minister met toepassing van artikel 104, eerste lid, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 104, derde lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) appellante per 31 december 2019 op grond van ongeschiktheid wegens ziekte ontslag verleend.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In hoger beroep moet de Raad oordelen over de weigering van de minister om de kosten van het door appellante gevolgde traject bij Talamanca Coaching te vergoeden. Verder moet de Raad oordelen over de beslissing van de minister dat sprake is van een doorlopende, ononderbroken ziekteperiode waardoor de minister een korting op het salaris van appellante moest toepassen.

Vergoeding kosten Talamanca Coaching

5.2.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de impliciete toestemming van de minister had om zich – op kosten van de minister – te laten begeleiden door Talamanca Coaching, althans dat zij gezien de omstandigheden erop mocht rekenen dat de minister de kosten hiervan voor zijn rekening zou nemen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij het uitblijven van een reactie van de minister op haar herhaalde verzoek om toestemming voor begeleiding door Talamanca Coaching had mogen opvatten als een impliciete toestemming. Ze bevond zich immers in een re-integratietraject en had in dat kader al eerder op kosten van de minister een extern coachingstraject doorlopen.

5.3.

De Raad is het niet eens met dit standpunt van appellante. De minister had de kosten van de begeleiding door Talamanca Coaching niet hoeven te vergoeden. Daartoe overweegt de Raad het volgende. Uit de omstandigheid dat appellante zich in een re-integratietraject bevond en al eerder op kosten van de minister een coachingstraject had doorlopen, had zij niet zomaar mogen afleiden dat zij weer op kosten van de minister een coachingstraject mocht volgen. Uit deze omstandigheden volgt immers niet als vanzelfsprekend dat de minister ook – en zonder afspraken daarover – een volgend coachingstraject zal vergoeden.

5.4.

De Raad wijst partijen nog op het volgende. Tijdens de zitting bij de Raad heeft de minister verklaard bereid te zijn om – ook buiten de uitspraak van de Raad om – het verzoek van appellante om vergoeding van de kosten van Talamanca Coaching opnieuw te beoordelen.

Tweede ziektejaar

5.5.1.

Volgens artikel 54, eerste lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) heeft de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een tijdvak van 52 weken recht op doorbetaling van zijn bezoldiging. Bij voortdurende ongeschiktheid heeft hij vervolgens recht op doorbetaling tot 70% van zijn bezoldiging.

5.5.2.

Artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van het RDBZ bepaalt dat voor de toepassing van het eerste lid perioden van ongeschiktheid worden samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

5.6.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat haar salaris ten onrechte is gekort. Zij heeft daartoe aangevoerd dat haar ziekteperiode door de hersteldmelding op 15 november 2018 is onderbroken en dat de nieuwe ziekmelding op 17 december 2018 als de aanvang van een nieuwe ziekteperiode moet worden beschouwd. Dat zij in de periode tussen 15 november 2018 en 17 december 2018 niet volledig heeft gewerkt is immers te wijten aan een arbeidsconflict waardoor zij haar functie niet volledig mocht en kon vervullen. Er is daarom geen sprake van een onderbreking van de ziekteperiode met minder dan vier weken zodat de twee ziekteperioden niet samengeteld mogen worden waardoor de grondslag voor de korting ontbreekt.

5.7.

De Raad is het ook niet eens met dit standpunt van appellante. Uit het dossier leidt de Raad af dat appellante in het tijdvak 15 november 2018 tot 17 december 2018 niet gedurende ten minste vier aaneengesloten weken volledig arbeidsgeschikt is geweest. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat appellante in deze periode slechts enkele dagen daadwerkelijk arbeid heeft verricht. De bedrijfsarts heeft na de nieuwe ziekmelding per 17 december 2018 van appellante geoordeeld dat in feite geen sprake was van arbeidsongeschiktheid, maar van een arbeidsconflict. Appellante heeft zich toen op het standpunt gesteld dat wel degelijk sprake was van arbeidsongeschiktheid, en om een second opinion verzocht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Een verzekeringsgeneeskundige van het Uwv heeft bij rapport van 22 februari 2019 vervolgens geoordeeld dat appellante op de datum van de nieuwe ziekmelding, 17 december 2018, arbeidsongeschikt was wegens beperkingen gelegen in persoonlijk, sociaal en fysiek functioneren. In lijn met dit oordeel heeft de Staatssecretaris de hersteldmelding van appellante ongedaan gemaakt. Bij besluit van 24 december 2019 heeft het Uwv vervolgens met ingang van 24 september 2019 aan appellante een uitkering toegekend ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op die datum werd appellante derhalve 104 weken onafgebroken arbeidsongeschikt geacht. Hieruit blijkt dat het Uwv ervan is uitgegaan dat appellante, in de lijn van het rapport van 22 februari 2019, reeds voorafgaand aan 17 december 2018 wegens ziekte of gebreken niet geschikt was voor het verrichten van haar arbeid. Gelet op de aard van de vastgestelde beperkingen en de duur en frequentie van eerdere ziekteverzuimen acht de Raad dit ook alleszins aannemelijk.

5.8.

Dat appellante haar werkzaamheden na de hersteldmelding van 15 november 2018 niet volledig heeft hervat, mag (deels) het gevolg zijn van een arbeidsconflict. Dat neemt echter niet weg dat zij in de periode tot aan de daadwerkelijke ziekmelding op 17 december 2018 niet volledig arbeidsgeschikt is geweest.

Conclusie

5.9.

Uit 5.3 en 5.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2021.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) D. Al-Zubaidi