Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
18/39 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft ten onrechte geweigerd om het ziekengeld van betrokkene te baseren op een dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW. De woordkeuze van de verzekeringsarts naar aanleiding van de medische beoordeling stelt niet buiten twijfel dat de psychische klachten van betrokkene voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap. Zoals ook in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2017:1034 met verwijzing naar de richtlijn “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” is overwogen, prevaleert in dat geval de ongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap, in dit geval de toegenomen psychische klachten, waarvan niet buiten twijfel staat dat zij voortvloeien uit een andere oorzaak dan de zwangerschap van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 39 ZW, 18/302 ZW

Datum uitspraak: 14 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 november 2017, 17/1406 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.E. Stam, advocaat, een verweerschrift ingediend en eveneens hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend in het hoger beroep van betrokkene.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Stam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De enkelvoudige kamer heeft de zaken verwezen naar de meervoudige kamer.

Partijen hebben desgevraagd niet verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als secretarieel medewerker gedurende 39 uur per week. Op 9 maart 2015 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Per 25 juni 2015 is het dienstverband tussen betrokkene en haar werkgever beëindigd. Het Uwv heeft betrokkene in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts betrokkene op 10 februari 2016 gezien. Deze arts heeft betrokkene belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 februari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet in staat is haar eigen werk te verrichten en heeft vervolgens functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 22 februari 2016 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 8 april 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 28 juli 2016 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 20 juni 2017 het beroep van betrokkene tegen het besluit van 28 juli 2016 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

1.3.

Op 30 maart 2016 heeft betrokkene zich ziek gemeld met zwangerschapsgerelateerde klachten. Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft het Uwv geweigerd aan betrokkene een ZWuitkering toe te kennen, omdat betrokkene op 30 maart 2016 al een ZW-uitkering ontving van haar werkgever.

1.4.

Bij besluit van 2 februari 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 23 augustus 2016 ongegrond verklaard, onder de gewijzigde motivering dat betrokkene op 30 maart 2016 uitkering van haar werkgever ontving, maar dat zij ziekengeld ter hoogte van 70% van het dagloon ontving en wel tot 8 april 2016. Beoordeeld dient te worden of betrokkene recht heeft op een ZW-uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap of bevalling (100% uitkering). Onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2017 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat betrokkene op 30 maart 2016 niet arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap of bevalling. Daarom ontvangt betrokkene tot 8 april 2016 een ZW-uitkering van 70% van het dagloon.

1.5.

Bij tussenuitspraak van 6 oktober 2017 heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is, omdat het Uwv niet (tevens) heeft getoetst of betrokkene op 30 maart 2016 in staat was om de bij de EZWb geduide functies te verrichten. Het Uwv is in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door onderzoek te doen naar de vraag of betrokkene in staat is tot het verrichten van haar arbeid zoals nader geconcretiseerd bij de EZWb en zo ja, in hoeverre die ongeschiktheid is gerelateerd aan haar zwangerschap.

1.6.

Het Uwv heeft de rechtbank te kennen gegeven geen aanleiding te zien om van de gelegenheid gebruik te maken om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het Uwv het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld en dat evenmin reden bestaat om van de tussenuitspraak terug te komen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om zelf in de zaak te voorzien of om een tweede bestuurlijke lus toe te passen.

3.1.

In hoger beroep heeft het Uwv aangevoerd dat de beoordeling zich dient te beperken tot de periode van 30 maart 2016 tot 8 april 2016 en tot de vraag of betrokkene in deze periode arbeidsongeschikt was ten gevolge van zwangerschap. In die periode ontving betrokkene ziekengeld ter hoogte van 70%. De intrekking van het ziekengeld per 8 april 2016 staat in rechte vast. De datum in geding bij de EZWb is de datum van de beëindiging van het recht op ziekengeld en dat is 8 april 2016. Bij de melding per 30 maart 2016 is het Uwv terecht uitgegaan van het eigen werk van betrokkene als secretarieel medewerker.

3.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep ‑ kort weergegeven - aangevoerd dat het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het bestreden besluit ondeugdelijk is, niet duidelijk is. Uit de aangevallen uitspraak kan worden afgeleid dat de rechtbank zich kan verenigen met de belastbaarheid zoals die door het Uwv per 30 maart 2016 is vastgesteld en dat de rechtbank van mening is dat slechts aan de onjuiste functie is getoetst. Betrokkene bestrijdt de vastgestelde belastbaarheid en acht zich niet in staat om arbeid te verrichten op grond van door de zwangerschap toegenomen psychische en lichamelijke klachten. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst betrokkene naar in de beroepsprocedure overgelegde medische informatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat ten tijde van belang in ieder geval sprake was van psychische klachten bij betrokkene en dat zij als gevolg daarvan per 30 maart 2016 ongeschikt was voor haar arbeid als secretarieel medewerker. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen, was de EZWb van betrokkene op 30 maart 2016 nog niet effectief omdat de datum in geding voor de EZWb volgens de vaste aanzegrechtspraak de datum is waarop de uitkering wordt beëindigd. Zie de uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3925). In het geval van betrokkene was dat 8 april 2016. Dit betekent dat de in het kader van de EZWb geselecteerde functies niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de in geschil zijnde beoordeling per 30 maart 2016. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

4.1.2.

In geschil kan dan ook uitsluitend de vraag zijn of het Uwv terecht heeft geweigerd om het ziekengeld van betrokkene met ingang van 30 maart 2016 te baseren op een dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW.

4.2.

Uit vaste rechtspraak volgt dat de arbeidsongeschiktheid een direct gevolg moet zijn van de zwangerschap en/of bevalling wil aanspraak kunnen worden gemaakt op een uitkering ter hoogte van het dagloon ingevolge artikel 29a van de ZW (zie onder meer de uitspraken van 23 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9302 en van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8634). Uit eveneens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:267) volgt dat indien causaal verband niet wordt aangenomen het buiten twijfel moet staan dat de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid zijn oorzaak niet (mede) vindt in de zwangerschap.

4.3.

In het kader van de beoordeling van aanspraken op een uitkering op grond van artikel 29a van de ZW hanteert het Uwv criteria zoals die zijn opgenomen in de Richtlijn voor verzekeringsartsen van het Uwv “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” van 1 mei 2014 (de richtlijn). In punt 4.2.2 van de richtlijn is onder meer opgenomen: “(…) Voor het recht op ziekengeld prevaleert de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de zwangerschap. Als er dus sprake is van meerdere oorzaken voor arbeidsongeschiktheid en arbeidsongeschiktheid als gevolg van de zwangerschap is één van die oorzaken, dan prevaleert laatstgenoemde en wordt er ziekengeld uitgekeerd naar 100% van het dagloon, zolang deze oorzaak leidt tot arbeidsongeschiktheid. (…) Krijgt deze verzekerde tevens klachten ten gevolge van haar zwangerschap die op zichzelf genomen ook tot arbeidsongeschiktheid leiden (…), dan heeft zij ook recht op een ziekengelduitkering naar 100% van haar dagloon.”

4.4.

Betrokkene heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de beoordeling in het bestreden besluit van de vraag of de arbeidsongeschiktheid van betrokkene haar oorzaak vindt in zwangerschap en/of bevalling. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft betrokkene op 1 juni 2016 onderzocht op het spreekuur. Daarbij is opgetekend dat betrokkene last had van angstklachten met paniekaanvallen en slaapproblemen. Betrokkene consulteerde nog steeds wekelijks de psycholoog in verband met toegenomen angstklachten en omdat betrokkene zich erg onrustig voelde. Vanwege haar zwangerschap gebruikte betrokkene geen medicatie voor haar psychische klachten. Op grond van het eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om de belastbaarheid van betrokkene in de FML aan te passen op de punten 1.9.6 (werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen) en 1.9.9 (werk zonder verhoogd persoonlijk risico met als toelichting: geen werk op hoogte, geen chauffeursfuncties, geen gevaarlijke machinegebonden arbeid).

4.5.2.

In haar rapport van 20 januari 2017 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat betrokkene in de periode vanaf 30 maart 2016 al arbeidsongeschikt was geacht voor haar maatgevende arbeid wegens psychische klachten, die al ruim voor de zwangerschap zijn ontstaan. De geclaimde toename van psychische klachten als gevolg van het stoppen met medicatie vormt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om de arbeidsongeschiktheid van betrokkene in de periode in geding als gevolg van zwangerschap te beschouwen. De reden hiervoor is dat betrokkene al zonder deze verergering vanwege haar psychische klachten arbeidsongeschikt werd geacht voor deze functie. Daarnaast heeft de verergering enkel tot toevoeging van twee beperkingen geleid: geen werk met veelvuldige storingen en onderbrekingen en geen functies met verhoogd persoonlijk risico. Beide aspecten spelen in de maatgevende functie van betrokkene geen rol van betekenis.

4.6.

De woordkeuze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de medische beoordeling stelt niet buiten twijfel dat de psychische klachten van betrokkene voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan de zwangerschap. De brief van de verloskundige van 10 april 2017 waarin wordt vermeld dat de angsten van betrokkene heftiger werden door de onverwachte zwangerschap en door zwangerschapsdiabetes wijst in de richting dat de klachten wel op zijn minst mede uit de zwangerschap voortvloeien. Ook de omstandigheid dat betrokkene vanwege haar zwangerschap haar medicatie niet meer mocht gebruiken wijst onmiskenbaar op een verband tussen haar zwangerschap en haar (toegenomen) psychische klachten. Zoals ook in de uitspraak van 15 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1034) met verwijzing naar punt 4.2.2 van de richtlijn is overwogen, prevaleert in dat geval de ongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap, in dit geval de toegenomen psychische klachten, waarvan niet buiten twijfel staat dat zij voortvloeien uit een andere oorzaak dan de zwangerschap van betrokkene. Daarbij is voorts van belang dat, gelet op het rapport van de arbeidsdeskundige van 16 februari 2016 en anders dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen, de toegenomen psychische beperkingen op zichzelf genomen ook leiden tot arbeidsongeschiktheid voor de maatgevende functie. Als belastende factoren van de functie noemt de arbeidsdeskundige namelijk onder andere veelvuldige storingen en onderbrekingen. Deze beperking is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegevoegd aan de FML vanwege de toegenomen psychische klachten.

4.7.

Gelet hierop behoeven de overige gronden van betrokkene geen bespreking meer.

5. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt. Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van betrokkene eveneens slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behalve de beslissingen over de door het Uwv verschuldigde proceskosten en het griffierecht. Het beroep van betrokkene is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 23 augustus 2016 te herroepen en te bepalen dat betrokkene met ingang van 30 maart 2016 recht heeft op ziekengeld ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW.

5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in hoger beroep (hoger beroepschrift en zitting) voor verleende rechtsbijstand. Er is geen griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 februari 2017;

- herroept het besluit van 23 augustus 2016, stelt vast dat betrokkene met ingang van

30 maart 2016 recht heeft op ziekengeld ter hoogte van het dagloon op grond van artikel 29a, eerste lid, van de ZW en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 2 februari 2017;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en J. Brand en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.L. Abdoellakhan