Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:825

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
19/175 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit 1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat CAK het besluit van 18 januari 2017 op juiste wijze heeft bekendgemaakt door toezending hiervan aan MvR Bewindvoering. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de omstandigheid dat de bewindvoerder van appellant heeft verzuimd bezwaar te maken tegen dit besluit, voor rekening en risico van appellant komt en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Wat appellant hierover heeft aangevoerd, is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en leidt niet tot een ander oordeel. Uit artikel 2:55, eerste lid, van de Wajong volgt dat broninhouding een bevoegdheid is van het Uwv. Hetgeen appellant heeft aangevoerd slaagt niet. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 4 september 2017, gelet op de inhoud, de strekking en het tussen partijen besproken doel daarvan, informatief van aard is en niet is gericht op rechtsgevolg. Met juistheid is geoordeeld dat deze brief geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Bestreden besluit 2. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat CAK de openstaande vordering op appellant van € 2.875,93 niet met het bedrag van € 6.403,04 had mogen verrekenen. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn standpunt, dat het bedrag van de vordering van CAK niet juist is, niet onderbouwd. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de beslagvrije voet volgt de Raad niet. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 175 WLZ, 19/176 WLZ

Datum uitspraak: 14 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

11 december 2018, 17/4899 en 18/1480 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift en een aanvullende reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoens. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Kozanhan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 17 januari 2013 tot en met 25 augustus 2016 zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), alsmede op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Appellant verbleef van 11 februari 2015 tot en met 25 augustus 2016 in zorginstelling [naam zorginstelling] .

1.2.

Appellant is in verband met de door hem ontvangen AWBZ- en Wlz-zorg een eigen bijdrage verschuldigd. De verschuldigde eigen bijdrage is op verzoek van CAK door het Uwv maandelijks ingehouden op de Wajong-uitkering van appellant (broninhouding).

1.3.

Bij besluit van 18 januari 2017 heeft CAK de eigen bijdrage met ingang van 1 januari 2017 voor appellant vastgesteld op € 529,25 per maand. Appellant heeft op 26 juni 2017 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het bezwaarschrift is ook vermeld dat bezwaar wordt gemaakt tegen de maandelijkse inhouding van de eigen bijdrage op de Wajong-uitkering.

1.4.

Op 4 september 2017 heeft CAK een brief aan appellant verstuurd. In deze brief is vermeld dat de einddatum van het verblijf in zorginstelling [naam zorginstelling] inmiddels is verwerkt in de administratie van CAK en dat een correctiefactuur ter hoogte van € 6.403,04 klaarstaat. Na verzending van deze correctiefactuur zal verrekening plaatsvinden met het openstaand saldo aan eigen bijdrage. Bij de brief is een factuuroverzicht gevoegd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 4 september 2017.

1.5.

Bij besluit van 20 november 2017 (bestreden besluit 1) heeft CAK de onder 1.3 en 1.4 genoemde bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Volgens CAK heeft appellant te laat bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 januari 2017 en is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Met betrekking tot het bezwaar tegen de inhouding van de eigen bijdrage op de Wajong-uitkering heeft CAK zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van CAK aan het Uwv om broninhouding geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Verder is de brief van 4 september 2017 van informatieve aard en daarom ook geen besluit.

1.6.

Bij besluit van 21 november 2017 heeft CAK appellant bericht dat verwerking van de einddatum van het verblijf in zorginstelling [naam zorginstelling] van 25 augustus 2016 betekent dat CAK bij appellant een bedrag van € 6.403,04 teveel aan eigen bijdrage in rekening heeft gebracht. CAK verrekent deze schuld aan appellant met een vordering op appellant van € 2.875,93, die voortkomt uit nog openstaande bedragen aan eigen bijdrage op grond van de AWBZ en Wlz. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.7.

Bij besluit van 26 maart 2018 (bestreden besluit 2) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2017 ongegrond verklaard. CAK heeft zich onder verwijzing naar artikel 4:93, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 3.3.1.3, derde lid, van het Besluit langdurige zorg (Blz) op het standpunt gesteld dat de teveel door appellant betaalde eigen bijdrage mocht worden verrekend met de nog openstaande vordering op appellant. CAK hoeft hierbij geen rekening te houden met de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De uitspraak van de Raad van 20 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3480 is namelijk niet van toepassing in de situatie van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat CAK het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. CAK heeft dit besluit door toezending aan de bij CAK kenbaar gemaakte bewindvoerder, MvR Bewindvoering, op juiste wijze bekendgemaakt. Appellant heeft te laat bezwaar gemaakt tegen het besluit. Appellant stond onder bewind van een professionele bewindvoerder die zich als vertegenwoordiger had gesteld. Dat deze bewindvoerder heeft verzuimd binnen de voorgeschreven termijn bezwaar te maken, komt volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 24 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8472) voor risico van appellant. Dit maakt de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Het verzoek om broninhouding van CAK aan het Uwv heeft geen rechtsgevolg en is daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De brief van 4 september 2017 bevat, gelet op de inhoud, strekking en doel, alleen mededelingen van informatieve aard die niet gericht zijn op rechtsgevolg. Uit de brief blijkt dat CAK een factuuroverzicht heeft bijgevoegd als uitleg op vragen van appellant. Het factuuroverzicht is gebaseerd op gegevens uit het verleden en bevat geen nieuwe besluiten. CAK heeft de brief van 4 september 2017 daarom terecht niet aangemerkt als besluit. Met betrekking tot bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat CAK bevoegd was tot verrekening en dat CAK van deze bevoegdheid ook gebruik heeft mogen maken. CAK hoefde geen rekening te houden met de beslagvrije voet. De door appellant aangehaalde uitspraak van de Raad ziet op een andere situatie en is niet van toepassing.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft herhaald dat de termijnoverschrijding van het bezwaar tegen het besluit van 18 januari 2017 verschoonbaar moet worden geacht. Verder heeft appellant naar voren gebracht dat het Uwv pas is gaan inhouden nadat het CAK daarom heeft verzocht. Hierdoor raken de verzoeken hem direct in zijn belangen. De brief van 4 september 2017 is volgens appellant een besluit. Met deze brief werd voor hem voor het eerst inzichtelijk op welke wijze CAK had gehandeld inzake de eigen bijdragen. Appellant heeft aangevoerd dat CAK niet heeft mogen verrekenen. CAK had rekening moeten houden met de beslagvrije voet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Bestreden besluit 1

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat CAK het besluit van 18 januari 2017 op juiste wijze heeft bekendgemaakt door toezending hiervan aan MvR Bewindvoering. Ook heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de omstandigheid dat de bewindvoerder van appellant heeft verzuimd bezwaar te maken tegen dit besluit, voor rekening en risico van appellant komt en dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Wat appellant hierover heeft aangevoerd, is in de kern een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd en leidt niet tot een ander oordeel.

4.2.

Uit artikel 2:55, eerste lid, van de Wajong volgt dat broninhouding een bevoegdheid is van het Uwv. Tegen het besluit tot broninhouding bestaat de weg van bezwaar bij het Uwv. Dat CAK het verzoek om inhouding doet aan het Uwv, doet hier niet aan af (zie in vergelijkbare zin de uitspraak van de Raad van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:100). Hetgeen appellant heeft aangevoerd slaagt niet.

4.3.

Uit het dossier blijkt dat partijen naar aanleiding van het bezwaarschrift van 26 juni 2017 tegen het besluit van 18 januari 2017 uitgebreid (mail)contact hebben gehad over de situatie van appellant. In de brief van 4 september 2017 is vermeld dat tijdens een telefoongesprek op 29 augustus 2017 met appellant is afgesproken dat CAK een brief zal sturen over wat partijen tot dan toe hebben besproken en over de verdere stand van zaken. Dit heeft geleid tot de brief van 4 september 2017. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze brief gelet op de inhoud, de strekking en het tussen partijen besproken doel daarvan, informatief van aard is en niet is gericht op rechtsgevolg. Met juistheid is geoordeeld dat deze brief geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

Bestreden besluit 2

4.4.

De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat CAK de openstaande vordering op appellant van € 2.875,93 niet met het bedrag van € 6.403,04 had mogen verrekenen. Appellant heeft ook in hoger beroep zijn standpunt dat het bedrag van de vordering van CAK niet juist is niet onderbouwd. De enkele stelling dat hij voorafgaand aan de verrekening in de gelegenheid had moeten worden gesteld de juistheid van het bedrag van € 2.874,93 te onderzoeken, is onvoldoende om reeds daarom aan te nemen dat het bedrag van de vordering van CAK niet juist zou zijn.

4.5.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de beslagvrije voet volgt de Raad niet. Anders dan in de uitspraak van de Raad van 20 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3480 waarnaar appellant verwijst, is in de situatie van appellant geen sprake van een verrekening met een nabetaling van een periodieke uitkering, maar van een verrekening van een eenmalige betaling ten voordele van appellant. Appellant heeft ook in hoger beroep niet geconcretiseerd dat, en zo ja, op welke wijze, het CAK in dit geval rekening zou kunnen houden met de beslagvrije voet.

4.6.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en R.E. Bakker en D. HardonkPrins als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) M. Stumpel