Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
19/26 WAJONG-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad komt tot het oordeel dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is komen te ontvallen, zodat het ingestelde hoger beroep en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 26 WAJONG-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2018, 18/1670 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 april 2021

Zitting heeft: E.J.J.M. Weyers, als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: G.S.M. van Duinkerken

Ter zitting zijn verschenen: Niemand

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 15 maart 2018 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv zijn beslissing van 7 juni 2017 gehandhaafd waarbij de uitkering van appellant op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 1 januari 2018 wordt verlaagd naar 70% van het minimumloon.

Namens appellant heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade. Mr. Jokhan heeft de Raad schriftelijk medegedeeld dat appellant op 8 augustus 2020 is overleden en dat zij zich onttrekt aan de procedure.

In de Staatscourant van 24 februari 2021 (Stcrt. 2021, 9038) is de in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde aankondiging van de zaak gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2021. Partijen zijn niet verschenen.

De indiener van het hoger beroep, appellant, is overleden. Niet kan worden gezegd dat de overledene enig belang heeft bij de voortzetting van het geding. De Raad is niet gebleken van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten.

Na de oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding deel te mogen nemen.

De Raad komt derhalve tot het oordeel dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is komen te ontvallen, zodat het ingestelde hoger beroep en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

getekend) G.S.M. van Duinkerken (getekend) E.J.J.M. Weyers