Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
20/2523 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

De griffierechten zijn niet binnen de termijnen betaald. Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest. Het verzoek om herziening en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 april 2021

20/2523 WAZ en 20/2906 WAZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 in verbinding met de artikelen 8:119 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2019, CRvB 18/344 en uitspraak op het verzoek van 30 juni 2020 om toepassing van artikel 8:81 van de Awb.

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft een verzoek om herziening en tevens een verzoek om een voorlopig voorziening ingediend van de door de Raad op 18 december 2019 tussen partijen gewezen uitspraak.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:119, tweede lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het verzoek om herziening. Ingevolge artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt van de verzoeker een griffierecht geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 20 augustus 2020 is verzoekster erop gewezen dat voor het verzoek om herziening een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat deze bedragen uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij brief van 21 augustus 2020 is verzoekster erop gewezen dat voor het verzoek om een voorlopige voorziening een griffierecht van € 131,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat deze bedragen uiterlijk 14 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij brief van 29 augustus 2020, bij de Raad op 1 september 2020 ontvangen, heeft verzoekster verzocht om vrijstelling van betaling van de verschuldigde griffierechten.

Bij brief van 2 september 2020 en bij brief van 2 oktober 2020 is verzoekster gewezen op de criteria die daarvoor gelden. Verzoekster is een termijn van twee weken gegeven om te reageren op de brieven van 2 september 2020 en 2 oktober 2020.

Bij brieven van 5 september 2020 en 17 oktober 2020, bij de Raad ontvangen op onderscheidenlijk 8 september 2020 en 20 oktober 2020, heeft verzoekster gereageerd en financiële gegevens overgelegd.

Bij brief van 28 oktober 2020 heeft de Raad verzoekster meegedeeld dat zij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet. Daarbij is verzoekster meegedeeld dat zij nieuwe herinneringen griffierecht zal krijgen en is haar verzocht de griffierechten binnen de op de herinneringen gestelde termijn te betalen. Voorts is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om herziening en het verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij afzonderlijke aangetekende brieven van 30 oktober 2020 is verzoekster nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van de griffierechten en is medegedeeld dat de verschuldigde bedragen binnen vier weken onderscheidenlijk één week na de datum van deze brieven op de in die brieven genoemde bankrekening dienen te zijn bijgeschreven dan wel contant moeten zijn betaald op het bezoekadres van de Raad. Daarbij is erop gewezen dat als de griffierechten niet tijdig worden betaald, verzoekster er rekening mee moet houden dat het verzoek om herziening en het verzoek om een voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld zullen worden.

De griffierechten zijn niet binnen de termijnen betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat verzoekster niet in verzuim is geweest. Het verzoek om herziening en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van H. Alajai als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2021.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) H. Alajai

Tegen deze uitspraak op het verzoek om herziening kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.

TM