Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
18/4334 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de vaststelling van zijn belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van de gronden die in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. In beroep noch in hoger beroep heeft appellant medische informatie ingebracht die onderbouwt dat voorgaande conclusie onjuist is en dat met de gestelde beperkingen in de FML geen recht wordt gedaan aan zijn belastbaarheid op de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. Uit de overwegingen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4334 WIA

Datum uitspraak: 8 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2018, 17/7081 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2021, door middel van beeldbellen. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als bouwopruimer voor 37,93 uur per week. Op 10 mei 2012 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 26 maart 2014 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 8 mei 2014 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 augustus 2014 ongegrond verklaard. Dat besluit is in beroep en in hoger beroep in stand gebleven.

1.2.

Appellant heeft zich op 10 augustus 2015 opnieuw ziek gemeld. Hij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Met ingang van 12 oktober 2015 is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Op 1 mei 2017 heeft appellant een WIA-uitkering aangevraagd. In dat kader heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat sprake is van een verslechterde psychische toestand bij appellant ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling in 2014 en dat sprake is van dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts heeft psychische klachten en beperkingen bij appellant vastgesteld, welke ook al op de eerste ziektedag op 10 augustus 2015 aan de orde waren. De lichamelijk beperkingen heeft hij onveranderd geacht. De verzekeringsarts heeft appellant met ingang van 10 augustus 2015 belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 mei 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Zij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid per 10 augustus 2015 berekend op 70,63%.

1.3.

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het Uwv appellant een loongerelateerde WGAuitkering toegekend, omdat appellant meer dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft de uitkering toegekend met ingang van 10 augustus 2015, omdat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na weigering van de WIA-uitkering per 8 mei 2014 en de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak.

1.4.

Bij besluit van 3 november 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juni 2017 gegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 augustus 2015 gewijzigd wordt vastgesteld op 63,29%. Deze wijziging is het gevolg van het binnen de SBC-code 111010 (medewerker tuinbouw) selecteren van een andere functie met een hogere urenomvang, waardoor de reductiefactor is gewijzigd. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt daarmee niet. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 oktober 2017 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 november 2017 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de rapporten van de verzekeringsartsen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat voldoende is gemotiveerd dat er rond de datum in geding (10 augustus 2015) niet méér beperkingen konden worden vastgesteld dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn aangenomen. Dat er wel meer beperkingen moeten worden aangenomen, heeft appellant niet met medische gegevens onderbouwd. Verder kan niet worden geoordeeld dat appellant niet de gelegenheid heeft gehad om de rapporten van de verzekeringsartsen te weerspreken met een contraexpertise of stukken van zijn behandelaars. Omdat appellant geen stukken heeft ingediend waaruit concrete aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de juistheid van de rapporten van de verzekeringsartsen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien gebruik te maken van haar bevoegdheid om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen. Tot slot heeft de rechtbank ook geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat appellant in medisch opzicht niet in staat is om de geduide functies te verrichten. Het Uwv heeft daarom terecht geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 10 augustus 2015 63,29% is.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. De lichamelijke en psychische klachten die hij nog voortdurend ondervindt, zijn van dusdanige omvang dat hij zelfs niet in staat is om dagelijks normaal te functioneren. Hij lijdt aan een ernstige psychische stoornis en is ervan overtuigd dat hij bezeten is door geesten. Hij is geheel geïsoleerd, onbereikbaar voor anderen en niet in staat tot enige communicatie. Dankzij zijn echtgenote en familie wordt voorkomen dat hij een zwervend bestaan leidt. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst hij erop dat hij sinds 2014 onder behandeling is bij GGZ Ingeest en verwijst hij naar de verklaring van psychiater S.M.E. Schopman van 18 januari 2016, waarin staat dat bij appellant sprake is van een depressieve stoornis, ernstig. Zijn beperkingen zijn volledig onderschat. Daarnaast is het volgens appellant onbegrijpelijk dat hij de geduide functies zou kunnen verrichten. De functies leveren stuk voor stuk een intensievere belasting op dan waaraan hij in redelijkheid blootgesteld zou mogen worden. Appellant meent ook beperkt te zijn ten aanzien van dwingend tempo, lawaai, tijdsdruk, stress, concentratie, helderheid en bewustzijn.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGAuitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Op grond van het derde lid van dit artikel kan dit recht niet later ingaan dan vijf jaar na de eerste dag na afloop van de wachttijd.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 10 augustus 2015 heeft vastgesteld op 63,29%.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de vaststelling van zijn belastbaarheid vormt in essentie een herhaling van de gronden die in beroep zijn ingebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven.

4.4.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de brief van psychiater Schopman van 18 januari 2016 kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. Hetzelfde geldt voor een nadere brief van Schopman van 7 juni 2017 en het feit dat appellant sinds 2014 in behandeling is bij GGZ Ingeest. Op grond daarvan zijn er forse beperkingen vastgesteld op psychisch gebied, die zijn weergegeven in onder meer de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML. Ook is een urenbeperking aangenomen van vier uur per dag en twintig uur per week. De primaire verzekeringsarts heeft toegelicht dat geen sprake is van ernstig disfunctioneren op alle niveaus, nu appellant op een basaal niveau wel voor zichzelf kan zorgen. In beroep noch in hoger beroep heeft appellant medische informatie ingebracht die onderbouwt dat voorgaande conclusie onjuist is en dat met de gestelde beperkingen in de FML geen recht wordt gedaan aan zijn belastbaarheid op de datum in geding.

4.5.

Uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling, wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2021.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) A.L.K. Dagmar