Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
21/1045 ZW-VV-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter is in navolging van de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet kan worden geconcludeerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog ook geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling van het Uwv onjuist is. Vooralsnog kan dan ook niet worden geconcludeerd dat verzoekster op de datum in geding meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de beëindiging van de ZW-uitkering met ingang van 2 november 2020 op goede gronden gebaseerd. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal naar verwachting in de bodemprocedure in stand kunnen blijven. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21/1045 ZW-VV-PV

Datum uitspraak: 26 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Zitting heeft: I.M.J. Hilhorst-Hagen als lid van de enkelvoudige kamer

Griffier: H.S. Huisman

Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 26 maart 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. S. van de Griek, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Smit.

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 11 februari 2021, 21/11 en 21/12 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat mondelinge uitspraak wordt gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.


BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Verzoekster was voor het laatst werkzaam als verkoopmedewerker bakkerij voor 25 uur per week. Verzoekster heeft zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld met psychische problemen. Bij besluit van 14 september 2020 heeft het Uwv aan verzoekster met ingang van 14 september 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

2. Het Uwv heeft na onderzoek door een verzekeringsarts bij besluit van 27 oktober 2020 de ZW-uitkering van verzoekster met ingang van 2 november 2020 beëindigd omdat zij weer arbeidsgeschikt is voor haar eigen, laatst verrichte arbeid.

3. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 december 2020 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van dezelfde datum.

4. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep van verzoekster tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. Verzoekster heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar (psychische) aandoening en klachten ernstiger zijn dan door het Uwv is aangenomen. Zij kan daardoor geen arbeid verrichten. Verzoekster heeft verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het Uwv de uitbetaling van de ZW-uitkering, althans een voorschot daarop, aan haar moet voortzetten totdat op het hoger beroep is beslist. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek, heeft verzoekster te kennen gegeven dat als gevolg van het beëindigen van de ZW-uitkering zij haar financiële verplichtingen niet meer kan nakomen, onder meer de betaling van huur. Inmiddels is door de kantonrechter op
16 maart 2021 een ontruimingsvonnis uitgesproken.

6. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

7. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, als tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Bij die belangenafweging speelt voorts een rol de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.

9. De voorzieningenrechter acht het door verzoekster gestelde financiële belang op zichzelf voldoende spoedeisend, nu aannemelijk is dat verzoekster niet in staat is haar woonkosten te voldoen, waardoor op korte termijn ontruiming dreigt.

10. De voorzieningenrechter is in navolging van de rechtbank van oordeel dat vooralsnog niet kan worden geconcludeerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, waaronder de door verzoekster ingebrachte medische stukken. Hij heeft verzoekster onderzocht, waaronder een waarneming psyche. Van zijn bevindingen heeft hij verslag gedaan in zijn rapport van 2 december 2020.

11. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog ook geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling van het Uwv onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een lichte tot heel matige stemmingsstoornis vastgesteld, gepaard gaande met wisselende angstklachten. In verband hiermee acht hij verzoekster beperkt voor overmatig stresserend werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport op basis van zijn bevindingen en de aanwezige medische gegevens overtuigend gemotiveerd dat de klachten van verzoekster niet in de weg staan aan het verrichten van het eigen werk van verkoopmedewerker bakkerij gedurende 25 uur per week op de datum in geding, nu deze werkzaamheden onbetwist niet als bijzonder stresserend zijn aan te merken. In de door verzoekster in bezwaar en beroep ingebrachte medische stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de nadere informatie van de GZ-psycholoog van 28 januari 2021 wordt de werkdiagnose PTSS gesteld, maar de voorzieningenrechter onderschrijft met de rechtbank het standpunt van het Uwv dat niet zozeer de diagnose van belang is, maar dat het gaat om de beperkingen en of daarmee het eigen werk kan worden verricht. Ook de door verzoekster bij haar verzoek overgelegde brief van 1 maart 2021 van de GZ-psycholoog, met verwijzing naar gespecialiseerde GGZ geeft de voorzieningenrechter geen reden voor een ander oordeel. De daarin vermelde gegevens over de ontwikkelingen in de behandeling zijn niet te herleiden naar de datum in geding, 2 november 2020. Vooralsnog kan dan ook niet worden geconcludeerd dat verzoekster op de datum in geding meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.

12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de beëindiging van de ZWuitkering met ingang van 2 november 2020 op goede gronden gebaseerd. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal naar verwachting in de bodemprocedure in stand kunnen blijven. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

13. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) H.S. Huisman (getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen