Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
20/656 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan appellant is de Raad met de rechtbank van oordeel dat artikel 94, eerste lid aanhef en onder h, van het Barp, gelezen in samenhang met het bepaalde in het tweede lid van artikel 94 van het Barp, aan de korpschef de bevoegdheid verleent om een betrokkene ontslag te verlenen wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, niet alleen bij het bereiken van die leeftijd, maar ook op een later moment. Ter zake van het verlenen van eervol ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, van het Barp komt de korpschef een discretionaire bevoegdheid toe. In het kader van deze bevoegdheid is de gedragslijn “Doorwerken na AOW-leeftijd?” in de loop van 2016 op schrift gesteld en in het najaar van 2017 gepubliceerd. Uit de stukken komt verder naar voren dat bij de implementatie van de gedragslijn in het personeelssysteem is gebleken dat is verzuimd bij 80 medewerkers, waaronder appellant, hen te informeren over de gevolgen van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd voor het dienstverband en daarover een besluit te nemen. Ten aanzien van deze medewerkers heeft de korpschef alsnog, aan de hand van de criteria in de gedragslijn, een belangenafweging gemaakt om te kijken of van een incidenteel geval als bedoeld in de gedragslijn sprake is. De Raad constateert dat de korpschef gaandeweg een strakkere en een consistentere gedragslijn is gaan hanteren ten aanzien van doorwerken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Met het verschuiven van de ontslagdatum naar 1 maart 2018 is de korpschef in voldoende mate tegemoetgekomen aan het persoonlijk belang van appellant, die daardoor voldoende tijd had om tijdig zijn pensioen aan te vragen. Het betoog van appellant dat de korpschef een toezegging heeft gedaan waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd tot aan zijn 70ste levensjaar mocht blijven werken, wordt niet onderschreven. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/271
PR-Updates.nl PR-2021-0083
AB 2021/229 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 656 AW

Datum uitspraak: 1 april 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2020, 18/8141 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. Backer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de soortgelijke zaak 20/685 AW plaatsgevonden op 18 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Backer. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Noordermeer en J.J.P. Freijer. In de zaak 20/685 AW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1982 werkzaam bij de politie. Bij besluit van 10 juni 2016 is hij per 1 juli 2016 in de nieuwe politieorganisatie als functievolger geplaatst in de functie [functie] bij het [onderdeel] . Op 24 september 2016 heeft appellant de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

1.2.

Bij brief van 9 november 2017 heeft de korpschef het voornemen kenbaar gemaakt om appellant met ingang van 1 januari 2018 eervol ontslag te verlenen wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Verder is meegedeeld dat het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd een aantal gevolgen heeft voor onder andere de rechtspositie en de salarisverwerking, maar dat de korpschef verzuimd heeft actie te ondernemen en appellant hierover te berichten.

1.3.

In de op het voornemen gegeven zienswijze heeft appellant de ontslagdatum van 1 januari 2018 onredelijk geacht. Hij ontvangt geen ABP-pensioen en bij een ontslag per 1 januari 2018 kan hij niet op tijd zijn pensioen aanvragen.

1.4.

Bij besluit van 12 februari 2018 heeft de korpschef appellant met ingang van 1 maart 2018 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). De korpschef heeft daarbij overwogen dat hij vanwege de belangen van het korps aanleiding ziet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om appellant eervol ontslag te verlenen. Naar aanleiding van de zienswijze van appellant en met het oog op de bedrijfsvoering heeft de korpschef de ontslagdatum opgeschoven naar 1 maart 2018.

1.5.

De Bezwaaradviescommissie (commissie) heeft de korpschef geadviseerd het bezwaar van appellant gegrond te verklaren en het besluit van 12 februari 2018 te herroepen. Volgens de commissie voorziet artikel 94, eerste lid, aanhef en onder h, van het Barp niet in de bevoegdheid van de korpschef voor het verlenen van eervol ontslag op ieder willekeurig moment na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Verder vindt de commissie dat de korpschef een te algemene en abstracte belangenafweging heeft verricht en de belangen van appellant niet kenbaar dan wel op inzichtelijke wijze heeft meegewogen.

1.6.

Bij besluit van 14 november 2018 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar van appellant in afwijking van het advies van de commissie ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de uitleg van de commissie van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder h, van het Barp te beperkt is en dat de ontslagbepaling bedoeld is voor de gehele periode dat de betrokken politieambtenaar AOW-gerechtigd is. Verder is overwogen dat ontslag van AOW-gerechtigde medewerkers nodig is als bijdrage om de personele overbezetting te verminderen en om tot een betaalbare personeelssterkte te komen. Het is ook nodig om een evenwichtiger leeftijdsopbouw en een noodzakelijke verjonging van het personeelsbestand te realiseren. Deze belangen van de gehele politieorganisatie wegen zwaarder dan het individuele belang van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) hoeft de bestuursrechter niet op alle argumenten in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern van de gronden. De Raad zal zich ook in deze zaak hiertoe beperken.

3.2.

Artikel 94, eerste lid van het Barp bepaalt – voor zover hier van belang – dat anders dan op aanvraag van de ambtenaar, (…) de ambtenaar kan worden ontslagen op grond van:

h. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat.

3.3.

Op grond van artikel 94, tweede lid, van het Barp wordt een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h steeds eervol verleend en kan het ontslag niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen.

3.4.

Anders dan appellant is de Raad met de rechtbank van oordeel dat artikel 94, eerste lid aanhef en onder h, van het Barp, gelezen in samenhang met het bepaalde in het tweede lid van artikel 94 van het Barp, aan de korpschef de bevoegdheid verleent om een betrokkene ontslag te verlenen wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, niet alleen bij het bereiken van die leeftijd, maar ook op een later moment. Mocht de regelgever de door appellant voorgestane strikte toepassing van artikel 94, eerste lid aanhef en onder h, van het Barp voor ogen hebben gehad dan had het voor de hand gelegen dat hij dit expliciet zo had bepaald. Dat is niet het geval. Het tweede lid van artikel 94 van het Barp bepaalt slechts dat het ontslag niet eerder kan ingaan dan de dag nadat de betrokkene de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een moment waarop of periode waarbinnen het ontslag op die grond moet zijn gegeven, is hieraan niet verbonden.

3.5.

Ter zake van het verlenen van eervol ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, van het Barp komt de korpschef een discretionaire bevoegdheid toe. In het kader van deze bevoegdheid is de gedragslijn “Doorwerken na AOW-leeftijd?” in de loop van 2016 op schrift gesteld en in het najaar van 2017 gepubliceerd. Voor zover hier van belang geldt het volgende. De standaard werkwijze volgens de gedragslijn is dat aan alle medewerkers ontslag wordt verleend bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Slechts in incidentele gevallen waarbij aantoonbaar sprake is van belang vanuit de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld unieke kennis die moet worden overgedragen of een project dat nog niet gereed is met een hoog afbreukrisico) kan hiervan onder voorwaarden worden afgeweken en zal het verzoek van de medewerker om te mogen doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd gehonoreerd mogen worden. Gezien de problematiek van het korps bestaande in een algemene overbezetting, staat het werkgeversbelang centraal in deze afweging en niet het belang van de medewerker. Om die reden dient zeer terughoudend met toekenning te worden omgegaan. Ieder verzoek om door te werken moet worden voorgelegd aan de eenheidschef, voorzien van een advies namens het diensthoofd HRM, voordat de lijnchef besluit af te wijken van de standaard werkwijze. Verder bepaalt de gedagslijn onder meer dat de leidinggevende tijdig, dat wil zeggen uiterlijk één jaar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, met de medewerker in gesprek gaat, waarbij de medewerker erop gewezen wordt dat de leidinggevende voornemens is om de medewerker te ontslaan bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

3.5.1.

Uit de stukken komt verder naar voren dat bij de implementatie van de gedragslijn in het personeelssysteem is gebleken dat is verzuimd bij 80 medewerkers, waaronder appellant, hen te informeren over de gevolgen van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd voor het dienstverband en daarover een besluit te nemen. Ten aanzien van deze medewerkers heeft de korpschef alsnog, aan de hand van de criteria in de gedragslijn, een belangenafweging gemaakt om te kijken of van een incidenteel geval als bedoeld in de gedragslijn sprake is.

3.5.2.

De Raad constateert dat de korpschef gaandeweg een strakkere en een consistentere gedragslijn is gaan hanteren ten aanzien van doorwerken na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Aan de korpschef kan niet de bevoegdheid worden ontzegd met het oog op het organisatiebelang een strakkere gedragslijn te gaan hanteren bij de toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder h, van het Barp. Gelet op de financiële situatie van het korps, de algemene overbezetting binnen de politie na de reorganisatie en het belang van een evenwichtiger personeelsopbouw gaat deze strakkere gedragslijn de grenzen van een redelijke beleidstoepassing niet te buiten. Bij afweging van het organisatiebelang tegen het persoonlijk belang van appellant om langer te mogen doorwerken heeft de korpschef doorslaggevend gewicht mogen toekennen aan het belang van de eigen organisatie. Met het verschuiven van de ontslagdatum naar 1 maart 2018 is de korpschef in voldoende mate tegemoetgekomen aan het persoonlijk belang van appellant, die daardoor voldoende tijd had om tijdig zijn pensioen aan te vragen.

3.6.

Het betoog van appellant dat de korpschef een toezegging heeft gedaan waaraan hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd tot aan zijn 70ste levensjaar mocht blijven werken, wordt niet onderschreven.

3.6.1.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in de eerste plaats vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.

3.6.2.

Aan het feit dat appellant tijdens het gesprek in 2015 over de zogeheten 18-maandenregeling (een regeling om vervroegd uit te treden) te kennen heeft gegeven dat hij door wilde werken, en dat hij er nadien niet op is gewezen dat mogelijk ontslag zou volgen op of na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, kan appellant geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij zou mogen blijven werken. Appellant heeft hieruit namelijk niet mogen afleiden dat geen gebruik meer zou worden gemaakt van deze ontslagbevoegdheid.

4. Uit 3.4 tot en met 3.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en M.A.H. van Dalen-Bekkum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2021.

(getekend) H. Lagas

(getekend) D. Al-Zubaidi