Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
19/1778 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht OV-schuld vastgesteld van € 388,-, omdat betrokkene in de maanden

september 2017 en oktober 2017 een reisproduct op zijn OV-chipkaart had staan, terwijl daarop geen recht bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1778 WSF

Datum uitspraak: 31 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 maart 2019, 18/2551 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 24 februari 2021. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

Betrokkene heeft deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door [X]

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 6 december 2016 aan betrokkene vanaf januari 2017 studiefinanciering toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Een reisrecht, in de vorm van een studentenreisproduct (reisproduct), maakt daarvan deel uit.

1.2.

Bij besluit van 17 november 2017 heeft de minister, naar aanleiding van een inschrijvingscontrole, vastgesteld dat betrokkene van september 2017 tot en met november 2017 geen recht heeft op studiefinanciering omdat hij niet (meer) (voltijds) studeert en hij in verband daarmee een bedrag van € 1.735,36 te veel studiefinanciering heeft ontvangen.

Daarnaast is een OV-schuld vastgesteld van € 388,-, omdat betrokkene in de maanden

september 2017 en oktober 2017 een reisproduct op zijn OV-chipkaart had staan, terwijl daarop geen recht bestond.

1.3.

Bij besluit van 6 december 2017 heeft de minister de OV-schuld van betrokkene met een bedrag van € 194,- verhoogd omdat hij (ook) in de maand november 2017 een reisproduct op zijn OV-chipkaart had staan, terwijl daarop geen recht bestond.

1.4.

Bij besluit van 28 februari 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 17 november 2017 ongegrond verklaard. Volgens de minister komen de gevolgen van een fout bij de inschrijving voor rekening en risico van betrokkene.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de OV-schuld is gehandhaafd, de besluiten van 17 november 2017 en 6 december 2017 herroepen voor zover het betreft de OV-schuld en de OV-schuld van betrokkene vastgesteld op nihil. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de studiefinanciering van betrokkene over de periode september 2017 tot en met november 2017 terecht heeft herzien omdat betrokkene in die periode niet stond ingeschreven bij zijn onderwijsinstelling. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister ten onrechte een OV-schuld heeft vastgesteld, omdat het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:259, heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene, gelet op de omstandigheden van het geval, er niet van op de hoogte had moeten of kunnen zijn dat hij vanaf september 2017 geen recht had op een studentenreisproduct. Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang geacht. Aannemelijk wordt geacht dat betrokkene zich per 1 september 2017 heeft ingeschreven aan de Technische Universiteit [naam universiteit] om zijn opleiding civiele techniek te vervolgen. Normaliter kreeg betrokkene dan via de email van Studielink een verzoek om betaalgegevens en een incassomachtiging af te geven. Het emailadres van betrokkene was gelinkt aan het emailadres van zijn vader, maar door de scheiding van zijn ouders was dat emailadres komen te vervallen, waardoor de email is gebounced. Betrokkene heeft daardoor van Studielink geen bericht ontvangen om de betaalgegevens door te geven dan wel te bevestigen. Betrokkene ging ervan uit dat hij was ingeschreven en heeft vanaf september 2017 zijn studie vervolgd en gebruik gemaakt van het reisproduct. Betrokkene heeft in die periode ook niet op andere wijze bericht ontvangen dat zijn inschrijving niet was geëffectueerd. Toen in november 2017 nog geen betaling was geïncasseerd heeft betrokkene contact opgenomen met Studielink. Eerst op dat moment begreep betrokkene dat de machtiging tot betaling van het collegegeld niet was ondertekend. Als gevolg van het (ongewenst) niet ingeschreven staan heeft de onderwijsinstelling betrokkene een collegegeldboete opgelegd. Omdat de vaststelling van een OV-schuld gelet op het bepaalde in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 achterwege had moeten blijven, is de rechtbank niet toegekomen aan een beoordeling van de overige beroepsgronden.

3.1.

De minister heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is verklaard en de OV-schuld op nihil is vastgesteld. Hij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat sprake is van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend. De situatie van betrokkene is niet vergelijkbaar met de situatie die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:259. Er is geen sprake van een uitschrijving met terugwerkende kracht waarbij betrokkene er door toedoen van de onderwijsinstelling niet van op de hoogte had kunnen zijn dat hij niet was ingeschreven. In de situatie van betrokkene heeft er door zijn eigen toedoen geen inschrijving plaatsgevonden vanaf september 2017. Het studiejaar 2017/2018 was het vierde studiejaar van betrokkene. Hij was dan ook op de hoogte van de procedure van inschrijving. Dat het emailadres van betrokkene door de scheiding van zijn ouders was komen te vervallen, leidt niet tot het ontbreken van verwijtbaarheid. Nu de ouders van betrokkene reeds in 2015 zijn gescheiden, heeft hij ruim de tijd gehad om zijn emailadres te wijzigen. Hij had er voor moeten zorgen dat zijn juiste emailadres bij Studielink geregistreerd stond en dat hij zijn collegegeld tijdig betaald had. De medische omstandigheden van betrokkene leiden evenmin tot het ontbreken van verwijtbaarheid.

3.2.

Betrokkene heeft in verweer verzocht om een bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Volgens betrokkene had het op de weg van DUO gelegen om, nadat de email onbestelbaar retour was gekomen, op een andere wijze contact te leggen met hem. Het opleggen van een boete is volgens betrokkene onbillijk en onevenredig.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Betrokkene heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht het recht op studiefinanciering over de periode van september 2017 tot en met november 2017 heeft herzien. De omvang van het geding in hoger beroep is beperkt tot het oordeel van de rechtbank over de vastgestelde OV-schuld.

4.2.

Uit de stukken volgt dat de (her)inschrijving van betrokkene voor zijn opleiding per 1september 2017 niet tot stand is gekomen omdat hij niet tijdig, via Mijn Studielink, de digitale machtiging voor de betaling van het collegegeld heeft bevestigd. Dat kan betrokkene worden verweten. Het bij Studielink geregistreerde emailadres van betrokkene, waarnaar attentie- en herinneringsmails werden verstuurd, is al per 19 januari 2016 komen te vervallen zodat betrokkene ruim de tijd heeft gehad om zijn emailadres te wijzigen. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de (her)inschrijving in het studiejaar 2016-2017, ondanks het vervallen emailadres, wél tijdig heeft plaatsgevonden. Het had op de weg van betrokkene gelegen om tijdig via Mijn Studielink de status van zijn verzoek om (her)inschrijving te volgen. Van een evidente overmachtssituatie, waar artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000 op ziet, is geen sprake.

4.3.

Wat is overwogen in 4.2 leidt tot de conclusie dat hoger beroepsgrond van de minister slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend.

4.4.

De devolutieve werking van het hoger beroep brengt met zich dat de Raad vervolgens de door de rechtbank onbesproken gelaten beroepsgronden moet beoordelen, in het bijzonder de grond dat onder toepassing van de hardheidsclausule moet worden afgezien van het vaststellen van een OV-schuld.

4.5.1.

Betrokkene heeft in bezwaar een brief van de onderwijsinstelling van 22 november 2017 overgelegd. In deze brief heeft de onderwijsinstelling betrokkene meegedeeld dat hij in de maanden september 2017 tot en met november 2017 ongewenst niet als student stond ingeschreven, maar dat inschrijving met terugwerkende kracht wettelijk niet is toegestaan. Over de periode zonder geldige inschrijving is aan betrokkene een schadevergoeding in rekening gebracht ter hoogte van, in totaal, een kwart van het over het studiejaar verschuldigde wettelijke collegegeld, vermeerderd met een bedrag van € 300,-.

4.5.2.

Betrokkene heeft in de hier aan de orde zijnde periode feitelijk gebruik gemaakt van onderwijs- en examenvoorzieningen. Zoals uit 4.5.1 volgt heeft hij daarvoor, onder de titel van onrechtmatig gebruik omdat hij niet formeel stond ingeschreven, een schadevergoeding aan de onderwijsinstelling betaald ter grootte van het bedrag dat hij bij inschrijving in de periode september 2017 tot en met november 2017 aan collegegeld verschuldigd zou zijn geweest, met daar bovenop een extra bedrag van € 100,- per maand. Daarnaast zijn de door betrokkene behaalde resultaten in de periode dat hij niet stond ingeschreven, na betaling van de schadevergoeding, door de onderwijsinstelling geldig verklaard.

4.5.3.

De hiervoor beschreven omstandigheden leiden tot de conclusie dat de situatie van betrokkene in de hier aan de orde zijnde periode materieel gezien overeenkomt met de situatie van een reguliere inschrijving. Onder deze bijzondere omstandigheden levert een strikte toepassing van de wet een onbillijkheid van overwegende aard op. De minister had dan ook met toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 buiten toepassing moeten laten.

4.6.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5.3 betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Nu van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van betrokkene in hoger beroep niet is gebleken bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2021.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) R. van Doorn