Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
19/733 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht vastgesteld dat betrokkene een bedrag van € 485,- verschuldigd is, omdat zij in de periode van 1 februari 2018 tot 15 april 2018 een studentenreisproduct op haar OV-chipkaart had staan, terwijl daarop geen recht bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 733 WSF

Datum uitspraak: 31 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2019, 18/5167 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

De minister heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft [X] een verweerschrift ingediend.

De minister heeft desgevraagd nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 24 februari 2021. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Namens betrokkene heeft [X] aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft de minister vastgesteld dat betrokkene een bedrag van € 485,- verschuldigd is, omdat zij in de periode van 1 februari 2018 tot 15 april 2018 een studentenreisproduct (reisproduct) op haar OV-chipkaart had staan, terwijl daarop geen recht bestond.

1.2.

Bij besluit van 9 juli 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 mei 2018 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 22 mei 2018 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat het betrokkene niet kan worden verweten dat zij haar reisproduct niet eerder dan op 15 april 2018 heeft stopgezet. Daartoe is het volgende overwogen. Betrokkene heeft zich direct uitgeschreven bij de onderwijsinstelling nadat de examencommissie begin april 2018 verklaard heeft dat betrokkene al haar vakken met goed gevolg had afgelegd. Betrokkene heeft met de door haar overgelegde stukken aangetoond dat de onderwijsinstelling buiten haar om de uitschrijfdatum heeft bepaald op 31 januari 2018, de laatste dag van de maand waarin zij haar laatste examen heeft behaald. Het kan betrokkene niet worden verweten dat de onderwijsinstelling studenten automatisch met terugwerkende kracht uitschrijft.

3. De minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet gesproken kan worden van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de minister een emailbericht van 19 maart 2019 van de onderwijsinstelling overgelegd alsmede twee emailberichten die in februari 2019 zijn gewisseld tussen betrokkene en de onderwijsinstelling. Uit die berichten volgt onder meer dat indien appellante het collegegeld over februari 2018 tot en met april 2018 betaalt, de onderwijsinstelling bereid is om de datum van uitschrijving te wijzigen naar 1 mei 2018.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is de vastgestelde OV-schuld over de maanden februari 2018 tot en met april 2018. Niet in geschil is dat betrokkene in deze periode geen recht had op studiefinanciering, waaronder een reisrecht, omdat zij niet stond ingeschreven bij een onderwijsinstelling en dat zij het reisproduct eerst op 15 april 2018 heeft stopgezet.

4.2.

De door de minister ten aanzien van betrokkene vastgestelde OV-schuld vloeit voort uit het bepaalde in artikel 3.27, tweede lid, van de Wet studiefinanciering (Wsf 2000), zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang. Hierin heeft de wetgever dwingend voorgeschreven dat in het geval van het ten onrechte beschikken over een op een OV-chipkaart geladen reisproduct, de studerende een gefixeerd bedrag verschuldigd is, ongeacht of gebruik is gemaakt van het reisproduct.

4.3.

Op grond van artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000, is het bepaalde in het tweede lid niet van toepassing op een periode waarin het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet kan worden toegerekend aan betrokkene. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.27, derde lid, van de Wsf 2000.

4.4.

Uit de door betrokkene overgelegde emailberichten van de onderwijsinstelling van 11 april 2018 en 29 oktober 2018 volgt dat betrokkene op 19 januari 2018 het laatste onderdeel van haar masteropleiding Biomoleculair Sciences behaald heeft. Gelet daarop heeft de onderwijsinstelling, conform het bepaalde in de Regeling afgifte getuigschriften en certificaten 2017-2018, de examendatum (datum op het diploma) vastgesteld op 31 januari 2018. Uit het door betrokkene overgelegde emailbericht van de onderwijsinstelling van 13 april 2018 blijkt dat de onderwijsinstelling haar vervolgens meegedeeld heeft dat het, via Studielink, ingediende verzoek tot beëindiging van de inschrijving, conform het bepaalde in de Regeling aanmelding en inschrijving 2017-2018, heeft geleid tot een beëindiging van de inschrijving (hierna: uitschrijving) per 1 februari 2018.

4.5.

In de door de minister in hoger beroep overgelegde emailberichten van 19 maart 2019 en, in reactie op vragen van de Raad, van 22 september 2020 heeft de onderwijsinstelling nader verklaard, en objectief onderbouwd, dat betrokkene reeds op 6 november 2017 een verzoek tot uitschrijving heeft ingediend, en wel per de datum 30 november 2017. Dat verzoek kon echter pas worden verwerkt nadat een examendatum was vastgesteld. Het verzoek om uitschrijving van 6 november 2017 is om die reden aangehouden door de onderwijsinstelling. Nadat de examendatum in april 2018 was vastgesteld op 31 januari 2018, is betrokkene op 13 april 2018 door de onderwijsinstelling uitgeschreven per 1 februari 2018.

4.6.

Uit wat in 4.5 is overwogen volgt dat betrokkene niet eerst in april 2018 heeft verzocht om uitschrijving, maar reeds in november 2017. Dat verzoek is op de eerst mogelijke datum, 1 februari 2018, na vaststelling van de examendatum op 31 januari 2018, ingewilligd. Er is dan ook geen sprake van een uitschrijving met terugwerkende kracht door de onderwijsinstelling buiten betrokkene om. In de wetenschap dat zij in november 2017 een verzoek om uitschrijving had ingediend, had het op de weg van betrokkene gelegen om, nadat het laatste resultaat van de opleiding was behaald in januari 2018, tijdig het reisproduct stop te zetten. Ook had zij ervoor kunnen kiezen het verzoek om uitschrijving van 6 november 2017 in te trekken en op een later moment opnieuw een verzoek om uitschrijving in te dienen. Van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan betrokkene kan worden toegerekend is dan ook, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen sprake. Overigens heeft betrokkene ook geen gebruik maakt van het aanbod van de onderwijsinstelling om, na betaling van het collegegeld over februari 2018 tot en met april 2018 betaalt, de datum van uitschrijving te wijzigen naar 1 mei 2018.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2021.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) R. van Doorn