Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:729

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
19/2133 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet gemelde hennepkwekerij. Een oogst aannemelijk gemaakt. Afgewezen ontnemingsvordering. Aantekening mondeling vonnis.

Appellant heeft geen melding gemaakt bij het college van de exploitatie van een hennepkwekerij op het uitkeringsadres. Uitsluiting is in geschil of het college er op goede gronden vanuit is gegaan dat een hennepoogst heeft plaatsgevonden. De in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel vermelde bevindingen duiden erop dat er een oogst heeft plaatsgevonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen vervuilingen voortkomen uit een eerdere ontmantelde kwekerij of uit het gebruik van tweedehands kweekspullen. Dat in een aantekening mondeling vonnis van de strafrechter de ontnemingsvordering is afgewezen raakt hier niet de juistheid van de grondslag van de besluitvorming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2133 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
3 april 2019, 18/3605 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Westerwolde (college)

Datum uitspraak: 29 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. ten Have, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2021. Namens appellant heeft mr. N.D. Spijker, advocaat en kantoorgenoot van mr. Ten Have, deelgenomen via videobellen. Het college heeft zich via een telefoonverbinding laten vertegenwoordigen door J. Potter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 27 mei 2010 tot en met 31 oktober 2017 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant woonde in die periode op een adres in [plaatsnaam] , nu gemeente [gemeente] (uitkeringsadres).

1.2.

Op 28 juni 2017 heeft de politie op het uitkeringsadres in twee kweekruimtes een in werking zijnde hennepkwekerij met 252 planten aangetroffen en ontmanteld. Naar aanleiding hiervan heeft een medewerker Handhaving van de gemeente Westerwolde (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de medewerker kennisgenomen van de onderzoeksbevindingen van de politie, zoals neergelegd in een proces-verbaal en in een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (rapport). In het rapport is de politie ervan uitgegaan dat appellant eenmaal heeft geoogst en de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd in de periode van 15 maart 2017 tot 28 juni 2017. Verder heeft de medewerker appellant verzocht diverse gegevens te verstrekken, waaronder de boekhouding dan wel administratie waaruit de exploitatie en de financiering van de hennepkwekerij blijkt, voorzien van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken. Appellant heeft deze gegevens niet verstrekt. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in rapporten van 11 januari 2018 en 5 april 2018.

1.3.

Bij besluit van 5 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2018 (bestreden besluit), voor zover hier van belang, heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 15 maart 2017 tot 29 juni 2017 (intrekkingsperiode). Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat bij zijn woning een hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Omdat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Voor de intrekkingsperiode heeft het college aangesloten bij de in het rapport genoemde exploitatieperiode.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat de politie op 28 juni 2017 op het uitkeringsadres in twee kweekruimtes een in werking zijnde hennepkwekerij met 252 hennepplanten heeft aangetroffen. Zoals ter zitting is besproken, is tussen partijen uitsluitend in geschil of het college er op goede gronden van is uitgegaan dat een hennepoogst heeft plaatsgevonden.

4.2.

In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is vermeld dat onder meer de volgende in de kweekruimtes aangetroffen indicatoren duiden op in ieder geval één hennepoogst in de periode die voorafging aan de aanplant van de aangetroffen planten.

- Op het zeil en aan de onderzijde van de plantenpotten bevond zich een op kalk gelijkende afzetting, die op de plantenpotten en de opstaande rand van het zeil tot dezelfde hoogte kwam.

- Op verschillende voorwerpen, waaronder de assimilatielampen, het stoffilter van de koolstofcilinder en de aanwezige elektra, bevond zich een stoflaag.

- Het filterdoek van de koolstoffilters was vervuild. Bij het verplaatsen van de bevestiging vertoonde het filterdoek op de plaatsen waar deze was aangebracht een aanzienlijk lichtere kleur dan de kleur van het overige filterdoek. Daarom is aannemelijk dat deze vervuiling in de kweekruimtes is opgetreden nadat de koolstoffilters daar waren opgehangen.

- Er zijn knipschaartjes met hennepresten aangetroffen.

- In de tuin bij de woning van appellant is een grote hoeveelheid potgrond aangetroffen.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het college om de volgende redenen niet aannemelijk heeft gemaakt dat een oogst heeft plaatsgevonden. De onder 4.2 weergegeven indicatoren voor een oogst zijn niet te relateren aan een oogst in de periode direct voorafgaand aan de aanplant van de aangetroffen planten, maar houden verband met het feit dat op exact dezelfde locatie eerder een hennepkwekerij is ontmanteld, waarvoor appellant al eerder veroordeeld is. Dit is, samen met het gegeven dat appellant de aangetroffen kweekspullen tweedehands heeft aangeschaft, een afdoende verklaring voor de in de kweekruimtes aangetroffen vervuilingen. Voorts is van betekenis dat de politierechter bij een aantekening mondeling vonnis van 13 november 2017 (amv) de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft afgewezen. De politierechter is hiertoe gekomen, omdat de onder 4.2 vermelde indicatoren verband houden met een eerder ontmantelde hennepkwekerij op dezelfde plaats. Een proces-verbaal van de strafzitting, waarin dat is opgenomen, kan niet worden overgelegd, aangezien tegen het amv geen hoger beroep is ingesteld. Gelet op artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert het vonnis van de strafrechter dwingend bewijs op van de bewezenverklaarde feiten.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.4.1.

De onder 4.2 weergegeven indicatoren duiden erop dat in de periode direct voorafgaand aan de aanplant van de aangetroffen planten een oogst heeft plaatsgevonden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vermelde vervuilingen voortkomen uit een eerder ontmantelde hennepkwekerij, nog daargelaten dat dit onwaarschijnlijk is, aangezien bij ontmanteling van een hennepkwekerij doorgaans alle kweekspullen in beslag worden genomen. Dat de kalkafzetting, het stof, de verkleuring van de koolstoffilters (ook) zijn veroorzaakt door het gebruik van tweedehands kweekspullen, heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt. Hij heeft ter onderbouwing van die stelling geen enkel bewijsstuk overgelegd.

4.4.2.

Nu het amv niet is gemotiveerd, is niet duidelijk op grond waarvan de strafrechter de ontnemingsvordering heeft afgewezen. Alleen al om die reden kan het beroep op het amv appellant niet baten. Dat appellant geen proces-verbaal van de strafzitting kan overleggen, maakt dat niet anders. Hierbij moet bovendien in aanmerking worden genomen dat, zoals de Raad al eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2496), de bestuursrechter in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden is aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in de ontnemingszaak een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Voor wat betreft het beroep op artikel 161 Rv wordt volstaan met de vaststelling dat, zoals de Raad ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA0605), het om een bepaling van bewijsrecht gaat die zich slechts richt tot de rechter in een burgerrechtelijk geding.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens in tegenwoordigheid van R. de Haas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2021.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) R. de Haas