Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
18/3287 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag Wajong-uitkering terecht afgewezen. Voldoende zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek. Geen aanknopingspunt om te oordelen dat appellant op zijn achttiende verjaardag meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Uitdrukkelijk prijsgegeven beroepsgrond kan in hoger beroep niet opnieuw worden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3287 WAJONG

Datum uitspraak: 31 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 mei 2018, 17/2230 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Gonera-Alta, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 17 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gonera-Alta. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [geboortedatum] 1982, heeft op 15 december 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) vanwege psychische klachten en verslavingsproblematiek. Met het besluit van 17 februari 2010 heeft het Uwv appellant niet in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering, omdat hij vanaf 4 juli 1999 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en hij geschikt geacht wordt voor gangbare arbeid. Dit besluit is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2417.

1.2.

Met het formulier ‘Aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen’, door het Uwv ontvangen op

7 juni 2016, heeft appellant opnieuw een aanvraag om een Wajong-uitkering gedaan. Deze aanvraag is door het Uwv opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 17 februari 2010. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts onderzoek verricht, waarbij informatie van orthopedagoog R. Niemeijer van MEE IJsseloevers van 14 oktober 2015 is betrokken. De verzekeringsarts concludeert dat in de informatie van MEE IJsseloevers weliswaar melding wordt gemaakt van een zeer laag IQ, maar dat gelet op het jarenlange drugsgebruik van appellant niet vast te stellen is of dit ook het geval was op de zeventiende of achttiende verjaardag van appellant. Met het besluit van 17 augustus 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen, omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant ingetrokken.

1.3.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft het Uwv geconstateerd dat verzuimd is te beoordelen of appellant op zijn achttiende verjaardag arbeidsvermogen heeft in de zin van de Wajong 2015. In zijn rapport van 17 januari 2017 heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant in staat is om gedurende één uur aangesloten te werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is. Vervolgens concludeert de arbeidsdeskundige op 13 februari 2017 dat appellant basale werknemersvaardigheden heeft en een taak kan verrichten in een arbeidsorganisatie. Appellant komt niet in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wajong 2015.

1.4.

Bij besluit van 13 februari 2017 heeft het Uwv opnieuw op de aanvraag beslist. In dit besluit is appellant medegedeeld dat naar aanleiding van de aanvraag van 27 september 2016 niet wordt teruggekomen van het besluit van 17 februari 2010.

1.5.

Met de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het

bezwaar ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong 2015, omdat hij op zijn achttiende verjaardag arbeidsvermogen heeft.

1.6.

In beroep heeft appellant informatie overgelegd van het Drenthe College van 9 oktober 2017 en een psychologisch onderzoek van NL-Psy van 5 december 2017. Op laatstgenoemd onderzoek is gereageerd in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 januari 2018. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen reden om de eerdere conclusies te herzien.

2. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het geschil heeft betrekking op de vraag of appellant in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wajong 2015. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen recht op deze uitkering en zij overweegt daartoe dat aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt. De rechtbank heeft geen aanknopingspunt om te oordelen dat appellant op zijn achttiende verjaardag meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. De informatie van MEE heeft geen betrekking op dat moment en de gegevens van de psychologen van NL-Psy passen bij het beeld waarvan de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) is uitgegaan. De rechtbank acht de taken inpakken en handmatig bestukken voor appellant geschikt en oordeelt dat aan geen van de in artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten genoemde criteria wordt voldaan.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij wel degelijk voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. De rechtbank acht ten onrechte onduidelijk wat de medische situatie was toen hij zeventien en achttien jaar oud was. Appellant verwijst naar informatie van de huisarts van 7 december 2016 en naar het onderzoek van NL-Psy. Uit laatstgenoemd onderzoek blijkt dat appellant voldoet aan de kenmerken van een autismespectrumstoornis, die al in de kindertijd aanwezig was, maar destijds niet is gediagnosticeerd. Ook is bij appellant een verstandelijke beperking vastgesteld. De autismestoornis moet volgens appellant worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het rapport van NL-Psy betwist appellant dat hij een taak kan uitoefenen in een arbeidsorganisatie. Appellant functioneert niet zelfstandig in het gezin en draait hierin mee op het niveau van een minderjarige. Van basale werknemersvaardigheden is volgens appellant geen sprake. Appellant verzoekt de Raad de rapporteurs van NL-Psy als deskundigen te horen en een psychiater/neuroloog als deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Uit de zittingsaantekeningen van de zitting bij de rechtbank op 22 maart 2018 blijkt dat de toenmalige gemachtigde van appellant desgevraagd heeft verklaard dat de gronden van beroep uitsluitend zien op de Wajong 2015 en niet op artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft zich vervolgens beperkt tot een beoordeling van de vraag of appellant in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wajong 2015.

4.1.2.

Gelet op wat in de zittingsaantekeningen van de zitting bij de rechtbank is opgenomen, heeft appellant zijn beroepsgrond, dat de in het besluit van 17 februari 2010 neergelegde weigering om aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen moet worden herzien, in beroep expliciet prijsgegeven. Appellant heeft daarmee de omvang van het geding uitdrukkelijk en welbewust beperkt. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak daarom terecht onthouden van een oordeel over de vraag of aanleiding bestaat om het besluit van 17 februari 2010 en zich terecht beperkt tot een beoordeling van de vraag of appellant in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de criteria van de Wajong 2015, op basis van de aangevoerde beroepsgronden.

4.1.3.

Het staat appellant niet vrij deze uitdrukkelijk prijsgegeven beroepsgrond in hoger beroep weer aan te voeren door te stellen dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan aanleiding bestaat om terug te komen op de in het besluit van 17 februari 2010 neergelegde weigering om aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Dit betekent dat in hoger beroep slechts aan de orde is of het Uwv terecht heeft beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wajong 2015, omdat hij op zijn achttiende verjaardag arbeidsvermogen had.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de weigering van het Uwv om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wajong 2015, vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De diagnose autismespectrumstoornis is kenbaar in de beoordeling betrokken en er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven. De in hoger beroep overgelegde journaalregels van de huisarts van 7 december 2016, waarin een korte beschrijving van de thuissituatie van appellant in de jaren 2000 en 2001 is opgenomen, geven geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat het geen medische informatie betreft. Ook de informatie van GGD IJsselland van 11 februari 2021, die appellant op 12 februari 2021 heeft overgelegd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit stuk bevat ten opzichte van de medische gegevens die zich al in het dossier bevinden, geen andere informatie.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen stukken ingediend waardoor twijfel ontstaat aan de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling. Er is dan ook geen aanleiding om een deskundige te horen of te benoemen. De verzoeken van appellant om de rapporteurs van NL-Psy als deskundigen te horen en een psychiater/neuroloog als deskundige te benoemen worden daarom eveneens afgewezen.

4.4.

Appellant heeft kort voor de zitting en nogmaals ter zitting van de Raad verzocht om aanhouding van de zaak zodat hij de resultaten van een nog te verrichten neuropsychologisch onderzoek in het geding kan brengen. Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen en gezien het feit dat appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep ruimschoots de gelegenheid heeft gehad een neuropsychologisch onderzoek te laten verrichten en daarvan stukken te overleggen, wijst de Raad dit verzoek af.

4.5.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en F.M. Rijnbeek als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2021.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) A.M.M. Chevalier