Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:717

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
19/3823 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering. Op geld waardeerbare werkzaamheden. Houden aan verklaring. Geen dringende reden. Het college heeft terecht de bijstand van appellante herzien en teruggevorderd omdat appellante geen melding had gemaakt van op geld waardeerbare werkzaamheden in de vorm van het vijf dagen per week gedurende 2,5 uur per dag als begeleidster heeft meerijden in een taxibus. Appellante wordt gehouden aan de door haar afgelegde en ondertekende verklaring over periode dat zij die werkzaamheden heeft verricht, die op ambtseed is opgemaakt. Geen sprake van dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3823 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 23 maart 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 juli 2019, 19/133 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Baltus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 9 februari 2021. Namens appellante is mr. Baltus verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 22 november 2011 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante zowel in de ochtend als in de middag samen met X kinderen naar school begeleidt in een taxibus, heeft de sociale recherche van de afdeling sociale zaken van Maastricht Heuvelland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben sociaal rechercheurs dossieronderzoek verricht, Suwinet geraadpleegd en op 23 en 25 augustus 2017 waarnemingen verricht, onder meer op het parkeerterrein bij de woning van appellante.

1.3.

Naar aanleiding van een tweede anonieme melding dat appellante op 13 november 2017 weer was opgehaald met de taxibus, hebben sociaal rechercheurs in de periode van 14 november 2017 tot en met 23 januari 2018 veertien keer waarnemingen verricht op de openbare weg en in de omgeving van de woning van appellante. Daarbij hebben de sociaal rechercheurs diverse malen waargenomen dat appellante in de ochtend en/of de middag bij X in de taxibus stapte, dat appellante en X samen in de bus reden of dat appellante door X met de taxibus bij haar woning werd afgezet. Op 23 januari 2018 zijn X en appellante afzonderlijk gehoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 april 2018.

1.4.

Bij besluit van 19 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2018 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 7 januari 2015 tot en met 23 januari 2018 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode teruggevorderd tot een bedrag van € 19.038,43 bruto. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht waaruit zij inkomsten heeft ontvangen, waardoor zij te veel bijstand heeft ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 7 januari 2015 tot en met 23 januari 2018 (te beoordelen periode).

Herziening

4.2.

Niet in geschil is dat appellante vijf dagen per week gedurende 2,5 uur per dag als begeleidster heeft meegereden in een taxibus, dat dit op geld waardeerbare werkzaamheden betreft en dat appellante deze op geld waardeerbare werkzaamheden niet bij het college heeft gemeld. Ook is niet meer in geschil dat appellante, door deze werkzaamheden niet te melden, de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zoals ter zitting is besproken, houdt alleen de lengte van de periode van de schending van de inlichtingenverplichting partijen verdeeld. Appellante heeft aangevoerd dat zij de werkzaamheden vanaf eind 2016 heeft verricht, zodat deze periode korter is dan waarvan het college is uitgegaan.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit haar op 23 januari 2018 afgelegde verklaring blijkt dat appellante, na te zijn geconfronteerd met de verklaringen van X, heeft bevestigd dat zij al drie jaar, dat wil zeggen vanaf januari 2015, met X meegaat als begeleidster in de taxibus. Deze verklaring is op ambtseed opgemaakt, aan appellante voorgelezen en appellante heeft haar verklaring, evenals X, per pagina ondertekend. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Appellante heeft de verklaring zonder voorbehoud ondertekend. De verklaring zelf biedt geen aanknopingspunten dat appellante haar verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd. Ook heeft appellante de betrouwbaarheid van haar verklaring niet aangevochten. Verder heeft appellante erkend dat zij geen gegevens van de kant van het taxibedrijf kan overleggen ter onderbouwing van haar standpunt dat het college ervan had moeten uitgaan dat appellante een kortere periode als begeleidster heeft gewerkt. Ook de verklaring van X biedt geen steun voor een kortere periode. Het college heeft daarom van de juistheid van de door appellante afgelegde verklaring mogen uitgaan en de in die verklaring genoemde periode aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Terugvordering

4.4.

Appellante heeft ten aanzien van de terugvordering aangevoerd dat geen rekening is gehouden met dringende redenen om af te zien van terugvordering, waaronder haar slechte gezondheidstoestand en haar financiële positie, waardoor zij geen bestedingsruimte heeft voor vervoer.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Appellante heeft de aard en ernst van haar gezondheidsproblemen op geen enkele wijze onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de aard en omvang van haar vervoersbehoefte. Alleen al gelet hierop heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er in haar geval dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, in tegenwoordigheid van Y.S.S. Fatni als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2021.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) Y.S.S. Fatni