Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
20/4302 WAO-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/4302 WAO-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 29 maart 2021

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2020, 19/5761 (aangevallen uitspraak). Dit hoger beroep (hoofdzaak) is bij de Raad bekend onder nummer 20/4006 WAO.

Op 15 december 2020 heeft verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Dit verzoek heeft hij aangevuld op 7 maart 2021.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoeker ontvangt met ingang van 8 september 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 10 oktober 2019 heeft hij het Uwv verzocht deze uitkering te verhogen. Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 november 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Verzoeker heeft aangevoerd dat het spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat hij (en zijn partner) niet kan rondkomen van de WAOuitkering. Hij heeft recht op een hoger dagloon. De hogere WAO-uitkering heeft hij nodig om rekeningen te betalen. Desgevraagd heeft hij verschillende financiële stukken ingediend.

5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van zogenoemde kortsluiting de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

6. In artikel 8:83, derde lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen uitspraak kan doen als – onder meer – het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is.

7. Verzoeker is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Uit de ingediende stukken blijkt dat de WAO-uitkering van verzoeker € 1.065,53 netto per maand bedraagt en dat zijn echtgenote een WIA-uitkering van € 423,97 netto per maand ontvangt en een Ziektewet-uitkering van € 22,49 per week. Verzoeker heeft stukken toegezonden over een betalingsregeling met de energieleverancier (€ 146,55 per maand) en de verhuurder (€ 200,-) en een betalingsherinnering van het waterbedrijf (€ 149,95). Aannemelijk is dat er financiële problemen zijn, maar niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een financiële noodsituatie.

8. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat er bij het ontbreken van spoedeisend belang geen noodzaak is voor de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder zitting.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) H. Spaargaren