Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
19/4446 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat hij reeds eerder heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat het lichamelijk onderzoek slechts drie minuten zou hebben geduurd. Anders dan appellant veronderstelt was het verzekeringsgeneeskundig onderzoek veel uitgebreider dan alleen een lichamelijk onderzoek. Het feit dat appellant vanwege toegenomen schouderklachten heeft moeten stoppen met zijn vrijwilligerswerk bij [werkgever], betekent niet dat het Uwv zijn lichamelijke beperkingen heeft onderschat. Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde rapportage arbeidskundig onderzoek van bureau eMMe leidt niet tot een ander oordeel. Ook de in hoger beroep overgelegde gegevens leiden daarom niet tot een ander oordeel. Uit wat is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4446 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 september 2019, 18/2976 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 maart 2021

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 4 maart 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zus [naam zus]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als warehouse employee II voor gemiddeld 41,57 uur per week. Op 1 augustus 2013 heeft appellant zich ziek gemeld met linkerschouderklachten en psychische klachten. Bij besluit van 11 juni 2015 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 30 juli 2015 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Appellant is met ingang van 30 juli 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Op 16 mei 2016 heeft appellant zich, vanuit een situatie dat hij een WW-uitkering ontving, bij het Uwv ziek gemeld vanwege een toename van zijn klachten. Bij besluit van 19 augustus 2016 heeft het Uwv appellant met ingang van 15 augustus 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet toegekend. Op 1 februari 2018 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft appellant op 2 maart 2018 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant vanaf de datum van zijn ziekmelding volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd vanwege toegenomen schouderklachten, de operatie aan zijn linkerschouder op 10 januari 2017 en het postoperatieve herstel. De verzekeringsarts heeft appellant vanaf de datum van het spreekuurcontact belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 maart 2018. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend.

1.3.

Bij besluit van 12 april 2018 heeft het Uwv appellant met ingang van 16 mei 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, het einde van de loongerelateerde WGAuitkering bepaald op 29 april 2018, beslist dat appellant in aansluiting daarop een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangt en de WGA-uitkering met ingang van 13 juni 2018 beëindigd, omdat appellant vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit, dat uitsluitend was gericht tegen de beëindiging van de WIA-uitkering per 13 juni 2018, heeft het Uwv bij besluit van 1 november 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2018, een gewijzigde FML van 1 november 2018 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 november 2018 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze, volledig en ook overigens conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding onjuist heeft ingeschat. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust en dat appellant medisch gezien in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen. De door appellant naar voren gebrachte beroepsgrond dat hij gezien zijn lage opleidingsniveau en lage inkomen nooit in aanmerking zal komen voor een WIA-uitkering heeft de rechtbank niet laten slagen, omdat de wijze van berekening van het verlies aan verdienvermogen volgt uit de thans geldende wet- en regelgeving die het Uwv dient uit te voeren.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat er geen zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, omdat het lichamelijke onderzoek volgens hem maar drie minuten heeft geduurd. Volgens appellant heeft het Uwv zijn lichamelijke en psychische beperkingen onderschat. Hij heeft vrijwilligerswerk bij [werkgever] in [woonplaats] vanwege zijn schouderklachten niet kunnen volhouden. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een in opdracht van de gemeente Peel en Maas in het kader van de Participatiewet uitgebrachte rapportage arbeidskundig onderzoek van bureau eMMe van 22 november 2019 in geding gebracht. Ook heeft appellant informatie van zijn behandelend psychiater H. van den Berkmortel en van kliniek ViaSana alsmede een door de gemeente [woonplaats] aan de Maas uitgebracht Leefzorgplan Wmo van juli 2020 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en daarbij verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 januari 2020.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (tekst tot 16 december 2017) bepaalt dat indien op de eerste dag na afloop van de wachttijd geen recht op een WGAuitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat de verzekerde wel (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van arbeid.

4.2.

Artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA bepaalt dat het recht op WGAuitkering eindigt op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. In artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, het recht op WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, eindigt twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.

4.3.

In geschil is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op juiste gronden de WGA-uitkering van appellant met ingang van 13 juni 2018 heeft beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht vormt in essentie een herhaling van wat hij reeds eerder heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.1.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest omdat het lichamelijk onderzoek slechts drie minuten zou hebben geduurd. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 20 maart 2018 blijkt dat het lichamelijk onderzoek beperkt is gebleven tot de mogelijkheid van bewegen van de linkerarm en -schouder. Het onderzoek bestond echter ook uit dossierstudie, het gesprek tijdens het spreekuur en het opvragen van medische informatie bij de behandelend revalidatiearts en psycholoog en het bestuderen van de ontvangen informatie. Bovendien heeft de verzekeringsarts aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van de mededeling van appellant tegenover de arbeidsdeskundige dat hij als medicatie citalopram gebruikt. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts nog een aanvullende beperking opgenomen ten aanzien van professioneel autorijden. Anders dan appellant veronderstelt was het verzekeringsgeneeskundig onderzoek veel uitgebreider dan alleen een lichamelijk onderzoek.

4.4.2.

Het feit dat appellant vanwege toegenomen schouderklachten heeft moeten stoppen met zijn vrijwilligerswerk bij [werkgever], betekent niet dat het Uwv zijn lichamelijke beperkingen heeft onderschat. Daargelaten dat appellant niet duidelijk heeft gemaakt welke lichamelijke belasting aan deze werkzaamheden was verbonden, zodat niet kan worden vastgesteld of deze werkzaamheden in overeenstemming waren met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant, blijkt uit de FML dat de verzekeringsarts nadrukkelijk rekening heeft gehouden met de linkerschouderklachten van appellant door onder meer beperkingen aan te nemen op de onderdelen 3.8 (trillingsbelasting), 4.7 (schroefbewegingen maken met hand en arm), 4.9 (frequent reiken tijdens het werk), 4.14 (tillen of dragen), 4.16 (frequent zware lasten hanteren tijdens het werk) en 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn).

4.4.3.

Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde rapportage arbeidskundig onderzoek van bureau eMMe leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 16 januari 2020 terecht heeft opgemerkt, heeft dit onderzoek plaatsgevonden in november 2019, terwijl de datum in geding 13 juni 2018 is. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep er terecht op gewezen dat er door bureau eMMe ten onrechte van wordt uitgegaan dat appellant functioneel eenarmig is en met zijn linkerarm niets meer zou kunnen. Dat is niet in overeenstemming met de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv. Ook de brief van revalidatiearts P.J.C.M. van Leeuwen van 9 maart 2019, waarin is vermeld dat de schouder van appellant lager belastbaar is, wijst er niet op dat appellant functioneel eenarmig is.

4.4.4.

De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van psychiater Van den Berkmortel en van ViaSana was al bekend en de verzekeringsartsen van het Uwv hebben deze informatie bij hun beoordeling in eerdere fasen van het geding betrokken. Het door appellant overgelegde Leefzorgplan Wmo is evenals de rapportage arbeidskundig onderzoek van bureau eMMe van ruim na de datum in geding en bevat geen informatie over de medische beperkingen van appellant ten tijde hier in geding. Ook deze gegevens leiden daarom niet tot een ander oordeel.

4.5.

Uit hetgeen in 4.4 tot en met 4.4.4. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2021.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) V.M. Candelaria