Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
30-03-2021
Zaaknummer
19/4000 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag Wajong-uitkering terecht afgewezen, omdat appellant op zijn 18e verjaardag geen arbeidsvermogen heeft, maar deze situatie niet duurzaam is. Uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige volgt overtuigend dat op het moment dat appellant 18 jaar oud werd er geen sprake van was dat reeds op dat moment vaststond dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam was. Dit volgt ook niet uit de door appellant ingediende stukken reeds omdat daaruit niet blijkt dat hetgeen daarin wordt geconstateerd betrekking heeft op het moment dat appellant 18 jaar oud werd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4000 WAJONG

Datum uitspraak: 25 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 augustus 2019, 18/3324 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.H.M. Steenbakkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Steenbakkers en zijn begeleider [naam begeleider]. Het Uwv heeft zich (via beeldbellen) laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 26 juli 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv - beslissend op bezwaar - de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen, omdat appellant op zijn 18e verjaardag, [geboortedatum] 2017, geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is.

1.2.

Tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 11 februari 2019 - op verzoek van de rechtbank - nader gemotiveerd dat niet is uitgesloten dat appellant in de toekomst in staat zal zijn om ten minste een uur aaneengesloten te werken. Deze arts heeft erop gewezen dat appellant ten tijde van de hoorzitting op 21 juni 2018 weer een normaal dagritme had en dagelijkse basale taken goed oppakte, dat uit het zorgplan van [naam huis] van 23 januari 2018 blijkt dat hij leerbaar is en dat hij kleine stapjes in zijn ontwikkeling zet en dat in het verslag van 12 september 2018 van [naam huis] is vermeld dat sprake is van een ontwikkeling, maar dat deze wel erg fragiel is. Gelet daarop is appellant volgens deze verzekeringsarts bezig met een ontwikkeling die ertoe kan leiden dat hij minimaal een uur aaneengesloten kan werken, mits hij adequaat wordt begeleid. Verder heeft hij er op gewezen dat in het zorgplan van 27 november 2018 van [naam huis] voor het eerst wordt getwijfeld aan het doel om zelfstandigheid bij appellant te bereiken. Nu volgens de verzekeringsarts niet blijkt wat de oorzaak van deze mening of stagnatie in de ontwikkeling is, gaat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet mee in die sombere voorspelling.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, omdat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is uitgesloten dat appellant in de toekomst in staat zal zijn om een uur aaneengesloten te werken. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat met het in beroep ingebrachte nadere rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 februari 2019 wel afdoende is toegelicht dat nog niet kan worden geconcludeerd dat de stagnering in de ontwikkeling tot zelfstandigheid van appellant is gelegen in zijn capaciteiten.

2.2.

Nu het Uwv het motiveringsgebrek heeft hersteld, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Dat betekent dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de stagnatie in zijn ontwikkeling is gelegen in zijn persoonlijkheid en capaciteiten en niet in externe factoren. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij geen arbeidsvermogen kan ontwikkelen heeft hij (medische) informatie ingestuurd en wel een trajectplan van 20 januari 2021, informatie van zijn persoonlijk begeleider [naam begeleider] van 27 januari 2021 en een rapportage van een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd bij ’s Heeren Loo van 25 november 2019.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. In hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 februari 2021 naar voren gebracht dat het standpunt van Hollewand dat vanaf oktober 2018 geen behandeldoelen zijn gehaald en dat hij verwacht dat dit niet zal gebeuren, niet ziet op de ontwikkelingsverwachting op de datum in geding. Dat geldt eveneens voor de verder in hoger beroep ingebrachte medische informatie. Daarbij komt dat die informatie niet conflicteert met het medische feitencomplex zoals dat eerder is aangenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant op zijn achttiende verjaardag, [geboortedatum] 2017, geen

mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) had. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen op dat moment duurzaam was, in het bijzonder of appellant in de toekomst in staat zal zijn om een uur aaneengesloten te werken.

4.2.

Voor het beoordelingskader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in belangrijke mate een herhaling

van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan wordt nog toegevoegd dat de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit

- wat van die ontwikkelingen ook zij – er niet aan afdoen dat uit het rapport genoemd in 1.2 overtuigend volgt dat op het moment dat appellant 18 jaar oud werd er geen sprake van was dat reeds op dat moment vaststond dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam was. Dit volgt ook niet uit de door appellant ingediende stukken reeds omdat daaruit niet blijkt dat hetgeen daarin wordt geconstateerd betrekking heeft op het moment dat appellant 18 jaar oud werd.

4.4.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep - voor zover aangevochten - niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2021.

(getekend) J. Brand

(getekend) D.S. Barthel