Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:69

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
18/752 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag en is er geen aanleiding voor de benoeming van een deskundige, zoals door appellante is verzocht. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Geen overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 752 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018, 17/5929 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 januari 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 23 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door Eshuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.

OVERWEGINGEN

1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker service en intake bij de Nationale Politie voor gemiddeld 16 uur per week. Op 25 september 2014 heeft appellante zich ziekgemeld met psychische klachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft een psychiater verbonden aan Psyon, verzocht appellante te onderzoeken. Op 5 december 2016 heeft de psychiater een rapport uitgebracht. Vervolgens is de verzekeringsarts in een rapport van 14 december 2016 tot de conclusie gekomen dat bij appellante sprake is van chronische vermoeidheid en dat zij als gevolg van deze aandoening beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 december 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 9 januari 2017 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 2 oktober 2016 een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 25 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van 20 juni 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 24 juli 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat in wat appellante heeft aangevoerd geen redenen zijn gelegen voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, of dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank het beroep op het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (het arrest Koroŝec) verworpen en het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de in de FML van 14 december 2016 neergelegde belastbaarheid, de voor appellante geselecteerde functies geschikt voor haar zijn. Het Uwv heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat appellante per datum in geding minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht, zodat op goede gronden met ingang van 2 oktober 2016 een WIA-uitkering is geweigerd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Naar haar mening is onvoldoende waarde toegekend aan medische rapporten van de aan de Stichting Cardiozorg verbonden cardiologen dr. F.C. Visser en

drs. C.M.C. van Campen, specialisten bij uitstek inzake CVS/ME. Voorts heeft appellante erop gewezen dat het Uwv eraan voorbij is gegaan dat CVS/ME door de Gezondheidsraad als een ernstige invaliderende medische aandoening is bestempeld. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft appellante nadere medische informatie overgelegd, waaronder informatie van de cardiologen Visser en Van Campen en enkele publicaties over ME/CVS. Appellante heeft gelet op de door haar ingebrachte informatie verzocht om een deskundige te benoemen. Appellante is tot slot van mening dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en heeft in verband daarmee verzocht om toekenning van schadevergoeding.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep rapporten van 17 mei 2018 en 19 december 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd en om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 2 oktober 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellante een WIA-uitkering toe te kennen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden wordt onderschreven. Bij de beoordeling van de medische situatie van appellante is alle beschikbare medische informatie betrokken. De verzekeringsarts heeft appellante op zijn spreekuur onderzocht en heeft bij zijn beoordeling de beschikking gehad over een rapport van Heliomare, informatie van de bedrijfsarts en van de behandelend cardioloog Visser van de Stichting Cardiozorg, alsmede een rapport van de door hem ingeschakelde psychiater I. Visser. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante gezien tijdens de hoorzitting en heeft zij bij haar beoordeling, naast de reeds beschikbare informatie, de beschikking gehad over de door appellante in bezwaar overgelegde medische informatie van de Stichting Cardiozorg. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep met haar rapporten van 17 mei 2018 en 19 december 2018 gemotiveerd gereageerd op de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het bestreden besluit op een voldoende medische basis berust wordt eveneens onderschreven. Appellante is uitgevallen als gevolg van psychische klachten. In het rapport van 14 december 2016 heeft de verzekeringsarts overwogen dat uit het onderzoek van psychiater Visser is gebleken dat bij appellante geen sprake is van psychiatrische afwijkingen en dat de psychische klachten in remissie zijn. Voorts is overwogen dat tijdens het door psychiater Visser geëntameerde neuropsychologisch onderzoek geen cognitieve stoornissen zijn geobjectiveerd vanwege een gestoorde symptoomvaliditeit. De door appellante geclaimde cognitieve beperkingen zijn onvoldoende objectiveerbaar vanwege het optreden van onderpresteren. De verzekeringsarts is uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de voornaamste klacht van appellante haar chronische vermoeidheid is en op grond van deze aandoening heeft hij appellante beperkt geacht voor het verrichten van zware werkzaamheden, langdurig staan, lopen, zwaar tillen, frequent bukken en traplopen. Voorts is appellante aangewezen op eenvoudig, gestructureerde en overzichtelijke werkzaamheden, waarbij hoge werkdruk, hoog werktempo en langdurige intensieve aandacht moet worden vermeden. Daarnaast heeft hij vastgesteld dat appellante vanwege haar verminderde energie gedurende ongeveer vier uur per dag en gemiddeld ongeveer twintig uur per week belastbaar is. Met deze beperkingen, die zijn weergegeven in de FML van 14 december 2016, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals blijkt uit haar rapport van 20 juni 2017, zich kunnen verenigen. Op grond van de beschikbare medische gegevens wordt geoordeeld dat met deze beperkingen voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij meer beperkingen heeft. Wat betreft de informatie van de cardiologen Visser en Van Campen wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de verschillende rapporten uitvoerig is ingegaan op deze informatie waaronder de onderzoeksbevindingen van de kanteltafeltest bij appellante en afdoende heeft gemotiveerd dat op basis van alle aangereikte medische feiten en gegevens door de verzekeringsarts de beperkingen in arbeid zijn bepaald. Dat bij appellante sprake is van cognitieve beperkingen die tot meer beperkingen aanleiding zouden moeten geven, blijkt niet uit de voorhanden gegevens. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in het standpunt dat aan de bevindingen van de NPO’s van Heliomare en Psyon een beperkte waarde moet worden toegekend voor wat betreft de gevonden afwijkingen. In beide rapporten is uitdrukkelijk vermeld dat de resultaten niet betrouwbaar konden worden gemeten, dat sprake was van onderpresteren en de scores niet te generaliseren waren naar de aanwezigheid van functiestoornissen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts afdoende toegelicht dat het in hoger beroep genoemde rapport van de Gezondheidsraad evenmin tot meer beperkingen leidt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 juni 2018, ECLI: NL:CRVB, 2018:1734) is een verwijzing naar het advies van de Gezondheidsraad ME/CVS onvoldoende om meer beperkingen aan te nemen dan door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn aangenomen, omdat dit advies van algemene aard is en niet ingaat op de individuele situatie van betrokkene. Dit geldt ook voor de door appellante overgelegde publicaties over onderzoeken met betrekking tot de gevolgen van ME/CVS. Nu in de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten zijn voor verdergaande beperkingen dan in de FML weergegeven, leidt dit tot de conclusie dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust en is er geen aanleiding voor de benoeming van een deskundige, zoals door appellante is verzocht.

4.5.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 24 juli 2017, waarin is ingegaan op de gronden van appellante die zij heeft ingebracht tegen deze functies en waarin gemotiveerd is uiteengezet, uitgaande van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid, dat appellante in staat moet worden geacht deze voorbeeldfuncties te vervullen.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.7.

Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. In dit geval is het bezwaarschrift van appellante door het Uwv op 18 januari 2017 ontvangen. Op de datum van deze uitspraak is de termijn van vier jaren nog niet verstreken, zodat de redelijke termijn niet is overschreden. Daarom kan van vergoeding van schade geen sprake zijn.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M. Rijnbeek en

W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) L.R. Kokhuis