Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:678

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
19/2692 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij het ontslagbesluit van 31 augustus 2017 is aan appellant met ingang van 1 december 2017 ontslag verleend op grond van artikel 12.12 van de CAO, overeenkomstig het voornemen van 3 april 2017. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat bij dit ontslagbesluit niet is beslist over een naast de uitkering op grond van de WW en de BWUMC te verstrekken aanvullende uitkering. Bij het ontslagbesluit is volstaan met toekenning van die (minimum) uitkering, nadat na het ontslagvoornemen dus vergeefs is getracht tot een minnelijke regeling te komen. Er is bij het ontslagbesluit geen aanvullende uitkering verstrekt. Dit betekent dat het verzoek van appellant van 15 januari 2018 om hem alsnog een aanvullende uitkering te verstrekken een verzoek betreft om in zoverre terug te komen van het in rechte vaststaande besluit. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat de feiten en omstandigheden van vóór het ontslagbesluit, die volgens appellant aanleiding zouden moeten zijn om alsnog een aanvullende ontslagregeling te treffen, geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat deze hadden kunnen worden aangevoerd in bezwaar tegen het ontslagbesluit. Appellant is, naar hij in bezwaar heeft aangevoerd, eerst medio december 2017 bekend geworden met die ontslagregeling, zodat dit wel een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb betreft. Evenals de rechtbank ziet de Raad hierin echter geen grond om te oordelen dat de Raad van Bestuur had moeten terugkomen van de bij het ontslagbesluit van 31 augustus 2017 voor appellant getroffen uitkeringsregeling. De ontslagregeling met K is tot stand gekomen via een minnelijke regeling en de mogelijkheid tot het treffen van een minnelijke regeling heeft appellant niet benut. Het bestreden besluit is niet evident onredelijk. Uit wat is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2692 AW

Datum uitspraak: 26 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2019, 18/3528 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (Raad van Bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. de Wever hoger beroep ingesteld.

Namens de Raad van Bestuur hebben mr. J.W. de Bruin en mr. M. Bahar, advocaten, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2021. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Wever. Het Raad van Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Bruin, mr. Bahar en mr. R.J. Zijlstra.

OVERWEGINGEN

1.Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar en beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.1.

Appellant was sinds 1 april 1997 aangesteld als [naam functie] bij het UMC Utrecht, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij het [naam centrum]. Bij besluit van 31 augustus 2017 (ontslagbesluit) is aan appellant met ingang van 1 december 2017 eervol ontslag verleend op andere gronden in de zin van artikel 12.12, eerste lid, van de Collectieve arbeidsovereenkomst universitair medische centra 2015-2017 (CAO) wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft de Raad van Bestuur bij besluit van 30 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken. Appellant heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.

1.2.

Met ingang van 1 december 2017 ontvangt appellant maandelijks een uitkering ter hoogte van de som van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Universitair Medische Centra (BWUMC).

1.3.

Bij brief van 15 januari 2018 heeft appellant verzocht om een aanvullende ontslagregeling op grond van artikel 12.12, derde lid, van de CAO. Bij besluit van 1 maart 2018 heeft de Raad van Bestuur hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 3 september 2018 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het ontslagbesluit van 31 augustus 2017 is aan appellant met ingang van 1 december 2017 ontslag verleend op grond van artikel 12.12 van de CAO, overeenkomstig het voornemen van 3 april 2017. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat bij dit ontslagbesluit niet is beslist over een naast de uitkering op grond van de WW en de BWUMC te verstrekken aanvullende uitkering. Alhoewel in het voornemen van 3 april 2017 nog een minnelijke regeling mogelijk was, zijn daarin alleen de uitkeringen op grond van de WW en de BWUMC opgenomen met een bijbehorende berekening. Er is in dit voornemen geen voorstel gedaan voor een aanvullende uitkering. Wel is in een e-mailbericht van 7 juli 2017 een aanbod gedaan voor een minnelijke regeling, waarop appellant echter niet is ingegaan. In een e-mailbericht van 13 juli 2017 is van de zijde van de Raad van Bestuur dit aanbod nog eens herhaald en meegedeeld dat de uitkomst van een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure op geen enkele wijze in de buurt zal komen van dit voorstel en dat in dat geval wordt teruggevallen op de standaard WW/BWUMC uitkeringen. Appellant heeft dit aanbod niet geaccepteerd. De Raad van Bestuur heeft op grond van artikel 12.12, derde lid, van de CAO de bevoegdheid een regeling te treffen die naar het oordeel van de werkgever redelijk is te achten, met dien verstande dat de medewerker in elk geval recht heeft op een uitkering ter hoogte van de som van een uitkering op grond van de WW en de BWUMC. Bij het ontslagbesluit is volstaan met toekenning van die (minimum) uitkering, nadat na het ontslagvoornemen dus vergeefs is getracht tot een minnelijke regeling te komen. Er is bij het ontslagbesluit geen aanvullende uitkering verstrekt. Vanaf december 2017 zijn ook (alleen) de uitkeringen op grond van de WW en de BWUMC uitbetaald. Dit betekent dat het verzoek van appellant van 15 januari 2018 om hem alsnog een aanvullende uitkering te verstrekken een verzoek betreft om in zoverre terug te komen van het in rechte vaststaande besluit.

4.2.

De Raad van Bestuur heeft op het verzoek van appellant van 15 januari 2018 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

Ter ondersteuning van zijn verzoek van 15 januari 2018 heeft appellant aangevoerd dat aan hem ten onrechte geen aanvullende ontslagregeling is toegekend en dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat aan zijn voormalige collega K bij ontslag op dezelfde grond en onder soortgelijke omstandigheden wel een ruimere regeling is verstrekt.

4.5.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat de feiten en omstandigheden van vóór het ontslagbesluit, die volgens appellant aanleiding zouden moeten zijn om alsnog een aanvullende ontslagregeling te treffen, geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat deze hadden kunnen worden aangevoerd in bezwaar tegen het ontslagbesluit.

4.6.

Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel betreft de ontslagregeling die met zijn oud-collega, K, is getroffen, die uitstijgt boven de som van een uitkering op grond van de WW en de BWUMC. Appellant is, naar hij in bezwaar heeft aangevoerd, eerst medio december 2017 bekend geworden met die ontslagregeling, zodat dit wel een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb betreft. Evenals de rechtbank ziet de Raad hierin echter geen grond om te oordelen dat de Raad van Bestuur had moeten terugkomen van de bij het ontslagbesluit van 31 augustus 2017 voor appellant getroffen uitkeringsregeling. De ontslagregeling met K is tot stand gekomen via een minnelijke regeling en de mogelijkheid tot het treffen van een minnelijke regeling heeft appellant niet benut. Uit de gedingstukken, waaronder het onder 4.1 genoemde e-mailbericht van 13 juli 2017, blijkt duidelijk dat de hoogte van de bij het ontslag te verstrekken uitkering onderwerp was van onderhandeling. In dit e-mailbericht van 13 juli 2017 en zelfs ook nog in een brief van de Raad van Bestuur van 3 augustus 2017 werd de mogelijkheid geboden voor een tegenvoorstel, bij gebreke waarvan alleen uitkeringen op grond van de WW en BWUMC zouden worden verstrekt. Hierop is geen tegenvoorstel gekomen, waarna het ontslagbesluit overeenkomstig dit voornemen is genomen. De Raad ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat de Raad van Bestuur ten behoeve van het bestreden besluit alsnog een verdergaand onderzoek had moeten instellen naar de mate waarin de situatie van appellant vergelijkbaar was met die van K, reeds omdat de ontslagregeling met K tot stand kwam via een minnelijke regeling. De rechtbank behoefde dan ook geen aanleiding te zien om K als getuige op te roepen. Het bestreden besluit is niet evident onredelijk.

4.7.

Dat het bezwaar van appellant tegen zijn laatste beoordeling nog niet is behandeld maakt een en ander niet anders.

5. Uit wat onder 4.1 tot en met 4.7. is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) R.H. Koopman