Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
19/3036 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Svb mocht de verzoeken van appellanten van 16 mei 2018 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 22 maart 2018. De Raad voegt daaraan toe dat in wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat de bestreden besluiten in zoverre evident onredelijk zijn. De hoger beroepen van appellanten slagen niet, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3036 AOW, 19/3037 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 12 juni 2019, 19/39 en 19/41 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats 1] (appellante) en [appellant] te [woonplaats 2] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 23 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant ontvangt vanaf maart 2014 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Appellante ontvangt vanaf maart 2016 een ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde pensioengerechtigde. Vóór die datum ontving zij vanaf juli 2012 een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde pensioengerechtigde. Op 9 februari 2016 is appellante gescheiden van X.

1.2.

Naar aanleiding van een binnengekomen tip dat appellanten op het adres van appellante samenwonen hebben toezichthouders van de Svb een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellanten. In dat kader hebben zij onder meer op 1 maart 2018 een huisbezoek afgelegd aan het woonadres van appellante en met appellanten gesproken. Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft de Svb de woonsituatie van appellanten vanaf september 2016 aangemerkt als een gezamenlijke huishouding. Bij twee afzonderlijke besluiten van 22 maart 2018 heeft de Svb vervolgens de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van oktober 2016 herzien en vastgesteld naar de norm voor een gehuwde pensioengerechtigde. Bij afzonderlijke besluiten van 28 juni 2018 heeft de Svb de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 22 maart 2018 niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft tegen het aan haar gerichte besluit van 28 juni 2018 geen beroep ingesteld. Het beroep van appellant tegen het aan hem gerichte besluit van 28 juni 2018 heeft de rechtbank bij uitspraak van 14 februari 2019 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBGEL:2019:609). Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld. Hierdoor zijn de besluiten van 22 maart 2018 in rechte onaantastbaar geworden.

1.3.

Appellanten hebben op respectievelijk 16 mei 2018 en 17 mei 2018 verzocht om herziening van de besluiten van 22 maart 2018 voor ‘het verleden, heden en toekomst’. Daaraan hebben zij ten grondslag gelegd dat de besluiten van 22 maart 2018 evident onredelijk zijn. Appellant heeft een eigen woning in [woonplaats 2] waar hij de meeste tijd is. Verder heeft hij de zorg voor een jong kind in de eigen woning. Er is geen sprake van een gezamenlijke huishouding.

1.4.

Op 9 juli 2018 hebben appellanten aan de Svb medegedeeld dat de woonsituatie van appellant met ingang van 25 juli 2018 gaat veranderen, omdat appellant gaat verhuizen naar een andere woning in [woonplaats 2]. Appellanten hebben de Svb verzocht om de ouderdomspensioenen aan te passen naar de norm voor een ongehuwde pensioengerechtigde.

1.5.

Bij besluit van 15 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 november 2018 (bestreden besluit 1), heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellante met ingang van 1 juli 2018 herzien naar de norm voor een ongehuwde. Bij besluit van 16 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van eveneens 30 november 2018 (bestreden besluit 2), heeft de Svb ook het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 juli 2018 herzien naar de norm voor een ongehuwde. Aan de bestreden besluiten heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellant vanaf 27 juli 2018 de beschikking heeft over een zelfstandige woonruimte die niet (ook) door een ander wordt bewoond. Vanaf 27 juli 2018 kan daarom, op grond van de tweewoningenregel, geen sprake meer zijn van een gezamenlijke huishouding tussen appellanten. De Svb heeft de verzoeken om herziening afgewezen. Niet gebleken is van gewijzigde omstandigheden die maken dat de Svb een begunstigend besluit kan nemen in die zin dat de ouderdomspensioenen van appellanten vanaf mei 2018 kunnen worden herzien. Appellanten hebben hun stelling dat appellant vanaf 16 mei 2018 meer dan de helft in zijn eigen woonruimte verblijft niet met bewijsstukken onderbouwd.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - voor zover hier van belang - het volgende overwogen. De rechtbank stelt vast dat appellanten hebben verzocht om herziening van de besluiten van 22 maart 2018. Ter zitting hebben appellanten toegelicht dat het enkel gaat om een herzieningsverzoek vanaf mei 2018. Bij duuraanspraken als hier aan de orde, is het vaste rechtspraak dat als sprake is van een verzoek waarbij voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, de aanvrager feiten of omstandigheden moet vermelden die aanleiding (kunnen) geven tot een ander, voor de aanvrager gunstiger, besluit dan het besluit waarvan herziening wordt gevraagd. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die - ten minste ook - zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. De aanvraag moet deugdelijk en toereikend worden onderbouwd en, voor zover mogelijk, worden voorzien van relevant bewijs. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn om van de Svb te verlangen om te onderzoeken of er bij het oorspronkelijke besluit ten onrechte niets of te weinig is toegekend en een belangenafweging te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2167). Nu appellant enkel heeft gesteld dat hij de helft van de tijd bij appellante heeft gewoond en dit niet verder heeft onderbouwd, was de Svb niet gehouden te onderzoeken of en in hoeverre de besluiten van 22 maart 2018 niet juist waren. De Svb heeft terecht niet de ouderdomspensioenen van appellanten met ingang van mei 2018 aangepast naar de norm voor een ongehuwde.

3. In de hoger beroepen hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Appellanten hebben - samengevat - aangevoerd dat appellant vanaf 16 mei 2018 meer dan de helft in zijn eigen woonruimte verblijft en dat zij vanaf 16 mei 2018 geen gezamenlijke huishouding meer voeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraken onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Svb mocht de verzoeken van appellanten van 16 mei 2018 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluit van 22 maart 2018. De Raad voegt daaraan toe dat in wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding wordt gevonden voor het oordeel dat de bestreden besluiten in zoverre evident onredelijk zijn.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2021.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.B.E. van Nimwegen