Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
18/6620 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering. Bijschrijvingen zijn inkomsten. Het college heeft terecht de bijstand van appellante herzien en teruggevorderd. De van bedrijf 2 ontvangen bijschrijvingen zijn terecht aangemerkt als inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstand. De enkele achteraf door appellante opgestelde en door B van het bedrijfsstempel (bedrijf 1) voorziene verklaring is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de bijschrijvingen strekten tot aflossing van een beweerde lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6620 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 november 2018, 18/1634 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Doesburg (college)

Datum uitspraak: 16 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.H.M. Koers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Koers. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 1 mei 2017 bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 15 september 2017 heeft het college appellante verzocht om haar bankafschriften van de afgelopen drie maanden in te zenden. Uit die bankafschriften is gebleken dat appellante van [bedrijf 1] heeft ontvangen op 18 juli 2017 een bedrag van € 250,-, op 21 juli 2017 € 300,-, op 25 juli 2017 € 200,-, op 28 juli 2017 € 300,- en op 5 augustus 2017 € 250,-. Per 1 oktober 2017 heeft het college op verzoek van appellante de bijstand beëindigd.

1.2.

Bij besluit van 11 december 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 februari 2018 (bestreden besluit) heeft het college de over de maanden juli 2017 en augustus 2017 verstrekte bijstand herzien en deels teruggevorderd. Bij besluit van 4 januari 2018 heeft het college de hoogte van de terugvordering vastgesteld op € 1.186,52 netto. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de in juli 2017 en augustus 2017 van [bedrijf 2] ontvangen bijschrijvingen als inkomsten worden beschouwd die verrekend moeten worden met de bijstand van appellante en dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijschrijvingen op haar bankrekening een terugbetaling van een door haar verstrekte lening betreffen. Door geen melding te maken van de ontvangen bedragen, heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat appellante in de maanden juli 2017 en augustus 2017 bijschrijvingen tot een totaal bedrag van € 1.300,- op haar bankrekening heeft ontvangen van [bedrijf 1] en dat zij het college hierover niet heeft ingelicht.

4.2.

Bedragen die zijn gestort en bedragen die zijn bijgeschreven door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450).

4.3.

De beroepsgrond dat appellante de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat de bijschrijvingen terugbetalingen van een lening betreffen en dat zij die daarom niet had hoeven te melden, slaagt niet.

4.3.1.

Appellante heeft verklaard dat zij in april 2017 € 1.500,- aan een vriend heeft uitgeleend. Ter adstructie hiervan heeft zij in bezwaar een door haar zelf opgestelde verklaring van [bedrijf 1] overgelegd. In die verklaring die van een stempel van [bedrijf 1] is voorzien, staat dat B in april 2017 een bedrag € 1.500 van appellante heeft geleend en dit bedrag in contanten heeft aangenomen. De afspraak was om één maand later alles terug te betalen, maar dit is helaas niet gelukt. Het bedrag is daarom in termijnen terugbetaald. Ter zitting heeft appellante daaraan toegevoegd dat het de bedoeling was dat de vriend dat bedrag in juni 2017 zou terugbetalen en dat de vriend de laatste termijn van € 200,- na afloop van de periode van bijstand heeft afgelost.

4.3.2.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval een uitzondering moet worden gemaakt op het in 4.2 genoemde uitgangspunt dat bedragen die periodiek zijn bijgeschreven door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger, in beginsel worden beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW, welke moeten worden gemeld. De achteraf door appellante opgestelde en door B van het bedrijfsstempel ( [bedrijf 1] ) voorziene verklaring van 14 december 2017, is daartoe onvoldoende. Deze enkele verklaring is onvoldoende om aannemelijk te maken dat de bijschrijvingen strekten tot aflossing van de beweerde lening. Door de bijschrijvingen niet te melden, heeft appellante de ingevolge artikel 17 van de PW op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is aan haar te veel bijstand verstrekt. Het college was daarom gehouden de bijstand te herzien door alsnog met de ontvangen middelen rekening te houden.

Terugvordering

4.4.

Appellante heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2021.

(getekend) E.C.G. Okhuizen

(getekend) B. Beerens