Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
18/4177 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang, opschorting, herziening, boete, wilsonafhankelijk materiaal, bijzondere bijstand. Nu niet op voorhand onaannemelijk is dat appellant als gevolg van de vertraagde uitbetaling van bijstand renteschade heeft geleden, is sprake van procesbelang bij een beoordeling van het opschortingsbesluit. Het opschortingsbesluit is rechtmatig, omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem van het niet tijdig overleggen van de gevraagde bankafschriften geen verwijt van te maken valt. De bijschrijving is terecht als inkomen aangemerkt, zodat de herziening terecht is. De beroepsgrond dat de door appellant onder dwang overgelegde bankafschriften niet aan het boetebesluit ten grondslag gelegd mochten slaagt niet. De bankafschriften zijn aan te merken als wilsonafhankelijk materiaal. Zelfs als moet worden geoordeeld dat art. 43 en 44 van de PW op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid niet in de weg staan aan toekenning van bijzondere bijstand, dient de aanvraag vervolgens te worden getoetst aan artikel 35, eerste lid, van de PW. Ten tijde van de aanvraag waren de kosten niet alleen al gemaakt, maar ook voldaan. In dat geval staat artikel 35, eerste lid, in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de PW in de weg aan bijzondere bijstandsverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4177 PW, 18/4178 PW, 19/2244 PW, 19/2245 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 9 maart 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 22 juni 2018, 17/3131, 18/548 en 18/549 (aangevallen uitspraak 1) en van 10 april 2019, 18/1547 en 18/1951 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ikiz, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ikiz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Huntjens en mr. E. van der Zwet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Inzake 18/4177 PW (opschorting)

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 augustus 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft in het verleden gewerkt bij [naam bedrijf] .

1.2.

Bij brief van 5 april 2017 heeft het college appellant in het kader van een incidenteel heronderzoek uitgenodigd voor een gesprek op 12 april 2017 en hem verzocht een overzicht van sollicitaties en bankafschriften van de afgelopen twee maanden mee te nemen. Appellant is op het gesprek verschenen, maar heeft de bankafschriften niet overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 22 mei 2017 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand met ingang van 12 april 2017 opgeschort en appellant in de gelegenheid gesteld de bankafschriften vóór 29 mei 2017 over te leggen.

1.4.

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 12 april 2017. Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het college het intrekkingsbesluit van 2 juni 2017 herroepen en de bijstand ongewijzigd voortgezet met ingang van 12 april 2017.

1.5.

Bij besluit van 9 augustus 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar. Uit onderzoek is gebleken dat er geen opschorting van het recht op bijstand en blokkade van de uitbetaling van de bijstand heeft plaatsgevonden. De bijstand over de maand april 2017 is op 12 mei 2017 betaalbaar gesteld.

Inzake 18/4178 PW (herziening)

2.1.

Naar aanleiding van meldingen van onder meer 5 en 6 april 2017 dat appellant in een busje stapte dat vertrok van [locatie] , waar onder andere [naam bedrijf] is gevestigd, heeft een medewerker bijzonder en preventief onderzoek van de gemeente Gulpen-Wittem (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerker en een sociaal rechercheur appellant op 15 augustus 2017 gehoord. Bij aanvang van het gehoor heeft appellant bankafschriften overgelegd over onder meer de periode van 3 maart 2017 tot en met 31 juli 2017. Daaruit blijkt dat op 17 maart 2017 een bedrag van € 770,- van de bankrekening op naam van [naam] is bijgeschreven op de bankrekening van appellant met de omschrijving [omschrijving 1] . Verder heeft appellant twee door hem met de hand geschreven en aan een medewerker van het college gerichte brieven van 19 maart 2017 en
20 maart 2017 overgelegd. Hierin heeft appellant verklaard dat hij op 17 maart 2017 een betaling van € 770,- heeft ontvangen van zijn oude werkgever. Bij de overschrijving staat een verkeerde omschrijving. Het gaat om een terugbetaling van door appellant voorgeschoten kosten voor diesel en verblijf in een hotel in de periode dat hij bij zijn oude werkgever werkte. De brief van 19 maart 2017 is mede ondertekend door B, de voormalige werkgever van appellant. Op 16 augustus 2017 is B gehoord en heeft verklaard dat het bedrag van € 770,- betrekking heeft op reis- en verblijfkosten toen appellant werkzaam bij hem was. Toen B werd voorgehouden dat als omschrijving [omschrijving 1] was vermeld, heeft hij verklaard dat het een stoel is geweest die appellant voor hem heeft gestoffeerd. Op het moment dat B werd geconfronteerd met de verklaring van appellant dat het reiskosten zijn, heeft B verklaard dat het “en en” is. Zijn vrouw heeft de betaling gedaan en er toen een verkeerde omschrijving bij gezet. De betaling is voor de stoel en de reis- en dieselkosten. Voor de stoel heeft appellant € 75,- ontvangen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 17 augustus 2017.

2.2.

Bij besluit van 18 augustus 2017 (besluit 2) heeft het college de bijstand met ingang van 20 juni 2017 ingetrokken en de bijstand over de periode van 1 maart 2017 tot en met 31 maart 2017 herzien, omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college heeft de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 20 juni 2017 tot en met 31 juli 2017 en over de periode van 1 tot en met 31 maart 2017 teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 2.049,53.

2.3.

Bij besluit van 22 januari 2018 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen besluit 2 gegrond verklaard voor zover het de intrekking met ingang van 20 juni 2017 en de daarbij behorende terugvordering betreft en het bezwaar voor zover het de herziening en terugvordering over de maand maart 2017 betreft ongegrond verklaard. Het college heeft aan de ongegrondverklaring ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Op 17 maart 2017 heeft appellant van [naam] een bedrag van € 770,- op zijn bankrekening ontvangen. Dit bedrag wordt gerekend tot de middelen van appellant waarover hij kan beschikken. Appellant heeft de ontvangst van dit bedrag op zijn rekening niet bij het college gemeld. De door appellant overgelegde documenten van 19 maart 2017 en 20 maart 2017 zijn pas op 15 augustus 2017 bij het college bekend geworden.

Inzake 19/2244 PW (boete)

3.1.

Bij besluit van 30 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 mei 2018 (bestreden besluit 3), heeft het college appellant een boete opgelegd van € 385,- op de grond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het ontvangen bedrag van € 770,- op zijn bankrekening. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft de hoogte van de boete bepaald op 50% van het benadelingsbedrag.

Inzake 19/2245 PW (bijzondere bijstand)

4.1.

Appellant heeft op 12 maart 2018 bij het college kopieën ingeleverd van op 4 augustus 2017, 13 augustus 2017 en 4 september 2017 gedane aanvragen voor bijzondere bijstand voor de kosten van onderscheidenlijk ‘eigen verklaring, keuring groot rijbewijs’, ‘keuring arts, groot rijbewijs’ en ‘verlenging, vervanging rijbewijs, groot rijbewijs’. Appellant heeft bij de aanvraag stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij voor de eigen verklaring op 4 augustus 2016 contant € 32,80 heeft betaald. Verder is op 11 augustus 2017 € 65,- van zijn bankrekening afgeschreven met de omschrijving [omschrijving 2] . Op 4 september 2017 is € 38,95 van zijn bankrekening afgeschreven voor een rijbewijs.

4.2.

Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van (verlenging) groot rijbewijs van 12 maart 2018 afgewezen, op de grond dat het om algemene kosten gaat. Nu appellant een inkomen heeft dat gelijk is aan de voor hem geldende bijstandsnorm moet hij deze kosten hieruit kunnen betalen. Dit heeft appellant ook al gedaan. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om bijzondere bijstand in de vorm van een lening te verlenen.

4.3.

Bij besluit van 12 juli 2018 (bestreden besluit 4) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 maart 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de onderliggende stukken blijkt dat de kosten vóór de indiening van de aanvraag op 12 maart 2018 zijn voldaan. Voor verlening van bijzondere bijstand voor deze kosten is in beginsel geen plaats. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om toch bijzondere bijstand te verstrekken. Appellant had de aanvraag redelijkerwijs kunnen indienen voordat hij de kosten maakte.

5.1.

Bij aangevallen uitspraak 1, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant, anders dan het college stelt, wel procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar, omdat hij heeft verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen opschorting en blokkering van het recht op bijstand heeft plaatsgevonden. De bijstand over mei 2017 is betaalbaar gesteld op 29 juni 2017. De stelling dat appellant deze bijstand pas in juli 2017 heeft ontvangen, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

5.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.

6.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd voor zover de rechtbank daarbij het bezwaar tegen besluit 1 en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

Hij heeft inzake de opschorting aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen opschorting en blokkering van (het recht op) de bijstand heeft plaatsgevonden. De bijstand over mei 2017 is namelijk pas uitbetaald in juli 2017. De opschorting is onterecht, zodat de te late betaling in strijd is met artikel 45 van de PW.

Appellant heeft inzake de herziening aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij de ontvangst van het bedrag van € 770,- bij brief van 20 maart 2017 aan het college heeft gemeld. Hij heeft de brief nogmaals op 12 april 2017 in kopie overhandigd aan zijn consulente. Het bedrag ziet op een vergoeding van door hem voorgeschoten kosten van hotel en diesel van vóór 31 december 2014 en ziet niet op werkzaamheden in de periode maart en april 2017. Appellant hoefde het bedrag bovendien niet te melden, omdat het tot de uitzondering behoort als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de PW.

6.2.

Appellant heeft zicht in hoger beroep ook tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd.

Appellant heeft inzake de boete aangevoerd dat hij, ook al hoefde hij het niet te melden, bij brief van 20 maart 2017 van de ontvangst van het bedrag van € 770,- op 17 maart 2017 melding heeft gemaakt. Verder is hem voor of tijdens het gehoor op 15 augustus 2017 niet de cautie verleend. De door appellant daar overgelegde bankafschriften zijn ten onrechte aan het boetebesluit ten grondslag gelegd, omdat zij zijn verkregen door het uitoefenen van dwang of druk met minachting van de wil van appellant. Aan appellant is namelijk meerdere keren meegedeeld dat als hij de bankafschriften niet inlevert, de bijstand wordt ingetrokken en hij een boete zal of kan krijgen.

Appellant heeft inzake de bijzondere bijstand aangevoerd dat het college zijn beleid niet op consistente wijze toepast.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Inzake 18/4177 PW (opschorting)

7.1.

Aan de orde is de vraag of appellant belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 22 mei 2017, waarbij het recht op bijstand met ingang van 12 april 2017 is opgeschort.

7.2.

Ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij van plan is om na afloop van deze procedure een verzoek om schadevergoeding in te dienen. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA3207) kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat er nog sprake is van procesbelang. Daarvoor is vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. Appellant heeft gesteld dat door de onrechtmatige opschorting van het recht op bijstand, de bijstand van mei 2017 pas in juli 2017 is uitbetaald. Nu niet op voorhand onaannemelijk is dat appellant als gevolg daarvan renteschade heeft geleden, is sprake van procesbelang.

7.3.

Ter beoordeling ligt daarom voor de vraag of het besluit van 22 mei 2017 waarbij het college de bijstand heeft opgeschort rechtmatig is.

7.4.

Bij brief van 5 april 2017 heeft het college appellant verzocht om op 12 april 2017 op gesprek te komen met de bankafschriften van zijn bankrekeningen van de laatste twee maanden. Deze gegevens zijn onmiskenbaar van belang voor de verlening van bijstand. Voor het overleggen van deze recente bankafschriften is niet een onredelijk korte termijn geboden. Appellant is op het gesprek van 12 april 2017 verschenen, maar heeft de bankafschriften niet op de gevraagde dag overgelegd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem hier geen verwijt van te maken valt.

7.5.

Dit betekent dat het college op grond van artikel 54, eerste lid, van de PW bevoegd was tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 12 april 2017. Het college heeft in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken. De stelling van appellant dat hij op 28 mei 2017 de bankafschriften heeft ingeleverd, doet daar niet aan af, nu deze datum is gelegen na de datum van het opschortingsbesluit van 22 mei 2017.

7.6.

Hieruit volgt dat voor het college met ingang van 12 april 2017 geen verplichting bestond tot betaling van de toegekende bijstand. Desalniettemin hebben er toch betalingen van bijstand over de maanden april en mei 2017 plaatsgevonden. Van onrechtmatig handelen van het college is dan ook geen sprake.

Inzake 18/4178 PW (herziening)

7.7.

De te beoordelen periode loopt van 1 tot en met 31 maart 2017.

7.8.

Anders dan appellant stelt heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van het op 17 maart 2017 op zijn bankrekening ontvangen bedrag van € 770,-. Het college heeft betwist dat de door appellant opgestelde brieven van 19 en 20 maart 2017 voorafgaand aan het gehoor op 15 augustus 2017 bij het college zijn ingediend. Niet valt uit het dossier af te leiden dat hij deze brieven op 12 april 2017 aan zijn consulent heeft overhandigd. De ontvangst van een bedrag van € 770,- op een bankrekening is onmiskenbaar van belang voor het recht op bijstand. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij van deze ontvangst melding bij het college had moeten maken.

7.9.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Appellant heeft zijn stelling dat het bedrag van € 770,- een onkostenvergoeding betreft van zijn oud-werkgever voor door appellant voorgeschoten kosten voor diesel en hotel in de periode voor 31 december 2014 niet aannemelijk gemaakt. In de omschrijving bij de bijschrijving staat niet dat het om een onkostenvergoeding gaat, terwijl uit bankafschriften uit 2014 blijkt dat bij eerdere bijschrijvingen van B wel de omschrijving “onkosten” stond. Dat de omschrijving een foutje van de vrouw van B was komt niet overeen met de verklaring van B op 16 augustus 2017 dat het bedrag mede ziet op het stofferen van een stoel door appellant. De schriftelijke verklaring van B in beroep van 8 februari 2018 dat het toch alleen om reiskostenvergoeding ging, is gelet op zijn eerdere verklaring niet aannemelijk en heeft hij ook niet onderbouwd met bonnen of andere verifieerbare stukken.

De beroepsgrond dat het bedrag van € 770,- moet worden uitgezonderd van het middelenbegrip op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, van de PW, heeft appellant op geen enkele wijze toegelicht of onderbouwd, terwijl zonder deze toelichting of onderbouwing niet zonder meer vaststaat dat hiervan sprake is. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

7.10.

De rechtbank heeft met juistheid het standpunt van het college onderschreven dat de bijschrijving op de bankrekening van appellant in de te beoordelen periode als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW, in aanmerking moet worden genomen en op de bijstand in mindering moet worden gebracht.

Inzake 19/2244 PW (boete)

8.1.

Het college heeft in bestreden besluit 3 het standpunt ingenomen dat de verklaring van appellant tijdens het gehoor op 15 augustus 2017 bij de boeteoplegging moet worden uitgesloten van het bewijs van de gestelde schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellant voorafgaand aan het gehoor de cautie niet is verleend.

8.2.

Appellant heeft aangevoerd dat daarom ook de door hem bij dat gehoor overgelegde bankafschriften niet aan het boetebesluit ten grondslag gelegd mogen worden. Volgens appellant zijn de bankafschriften aan te merken als wilsafhankelijk materiaal, omdat het college daar alleen over kan beschikken als appellant zijn medewerking verleent door ze over te leggen. Appellant heeft de bankafschriften onder dwang overgelegd. Appellant is hierbij ingegaan op het door de rechtbank genoemde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) van 17 december 1996, no. 43/1994/490/572, ECLI:NL:XX:1996:ZB6862 (Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk).

8.2.1.

De beroepsgrond slaagt niet, gelet op het volgende. In het arrest Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, wat meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. Uit latere rechtspraak blijkt niet dat het EHRM van deze regel is teruggekomen. Op die regel is voortgebouwd in de Nederlandse rechtspraak, vergelijk de arresten van 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, van 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 en van 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144.

8.2.2.

Het arrest van 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 definieert onder 3.6 “wilsonafhankelijk materiaal”, onder verwijzing naar het arrest Saunders, als “materiaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte”. Hieruit volgt dat de kwalificatie van materiaal als wilsonafhankelijk dan wel wilsafhankelijk - welk onderscheid samenhangt met het zwijgrecht van de betrokkene - is verbonden aan de aard van het materiaal (of het in fysieke zin ‘bestaat’ onafhankelijk van de wil van de betrokkene).

8.2.3.

In zijn arrest van 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117, heeft de Hoge Raad overwogen dat de wils(on)afhankelijkheid niet is verbonden aan het antwoord op de vraag of de gevorderde bescheiden zonder medewerking van de betrokkene kunnen worden verkregen.

8.2.4.

Gelet op 8.2.1 tot en met 8.2.3, zijn de door appellant overgelegde bankafschriften aan te merken als wilsonafhankelijk materiaal, omdat dit materiaal is dat onafhankelijk van zijn wil bestaat. De door appellant bij het gehoor overgelegde bankafschriften mocht het college dan ook aan het boetebesluit ten grondslag leggen.

8.3.

Uit 7.8 volgt dat het college heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het op zijn bankrekening ontvangen bedrag van € 770,-. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 385,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.

Inzake 19/2245 PW (bijzondere bijstand)

9.1.

Gelet op artikel 35, eerste lid, in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijzondere bijstand, als op het moment van de aanvraag de kosten reeds zijn gemaakt en voldaan (zie de uitspraak van 4 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6670).

9.2.

Vaststaat dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd voorafgaand aan 12 maart 2018, de datum waarop de aanvraag is ingediend, zijn voldaan. Uit 4.1 blijkt dat de kosten ook al waren voldaan op de data waarop appellant de eerdere bijgevoegde aanvragen had gedateerd, zodat de vraag of appellant deze aanvragen al eerder, op de data van datering heeft ingediend, buiten beoordeling kan blijven.

9.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niettemin aan artikel 5 van de beleidsregels een recht op bijzondere bijstand kan ontlenen. Het college heeft zijn beleid volgens appellant niet consistent toegepast.

9.4.

Artikel 5 van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Gulpen-Wittem 2018 e.v. (beleidsregels) luidt als volgt.

1. Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

2. Van het eerste lid kan worden afgeweken, indien:

a. de aanvrager redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen; of

b. indien er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verstrekken.

3. Wanneer het genoemde in het tweede lid zich voordoet, kan bijstand worden verleend met terugwerkende kracht tot maximaal 12 maanden.

9.5.

Deze beleidsregel moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid, voor zover het college op grond hiervan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht kan verlenen tot twaalf maanden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 juli 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1918) dient buitenwettelijk begunstigend beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

9.6.

Het beroep van appellant op de beleidsregels kan in dit geval niet leiden tot toekenning van bijzondere bijstand. Zelfs als van een situatie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de beleidsregels sprake is, dient de aanvraag - met voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 43 en 44 van de PW - vervolgens te worden getoetst aan artikel 35, eerste lid, van de PW. Ten tijde van de aanvraag waren de kosten niet alleen al gemaakt, maar ook voldaan. In dat geval staat artikel 35, eerste lid, in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de PW in de weg aan bijzondere bijstandsverlening (vergelijk de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:992).

9.7.

Voor zover appellant met zijn betoog dat het college het beleid niet consistent toepast een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, slaagt de beroepsgrond niet. In een door appellant genoemd geval heeft het college de aanvraag voor de kosten van een chauffeurspas afgewezen omdat niet gebleken was dat de betrokkene daadwerkelijk een chauffeurspas had aangevraagd noch had aangetoond dat hij de kosten daadwerkelijk had gemaakt. De kosten deden zich dus niet voor. Dit geval is dus op relevante punten niet gelijk aan die van appellant, waarin de kosten zijn gemaakt en voldaan. In het andere door appellant genoemde geval heeft het college wel bijzondere bijstand verstrekt voor kosten die al op de aanvraagdatum waren voldaan, maar het college heeft toegelicht dat ten aanzien van deze aanvraag een fout is gemaakt. Het gelijkheidsbeginsel kan niet dwingen tot een herhaling van een eerder gemaakte fout.

Conclusie

Inzake 18/4177 PW en 18/4178 PW

10.1.

Uit 7.1 tot en met 7.10 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat die uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten.

Inzake 19/2244 PW en 19/2245 PW

10.2.

Uit 8.1 tot en met 9.7 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat die uitspraak ook moet worden bevestigd.

11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

  • -

    bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2021.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) T. Ali