Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2021
Datum publicatie
29-03-2021
Zaaknummer
20/2922 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:5935, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek om vrijstelling. Bewijslastverdeling. Geen medische onderbouwing verstrekt. Op basis van de enkele stelling van appellant dat hij niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen was het college niet gehouden een medisch onderzoek te laten verrichten. Appellant moet eerst begin van bewijs leveren over zijn beperkingen. Het college heeft het verzoek om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2922 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2020, 20/495 en 20/507 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)

Datum uitspraak: 23 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Talhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 15 januari 2014 samen met zijn echtgenote bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Op 15 november 2018 heeft appellant het college verzocht om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen genoemd in artikel 9 van de PW. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het college appellant bij brief van 21 januari 2019 om nadere gegevens verzocht en hem uitgenodigd voor een gesprek op 24 januari 2019. Appellant is gevraagd om bewijsstukken van zijn zorg- en/of hulpverlener in te leveren, zoals een afsprakenkaart, behandelkaart of uitnodigingskaart.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 22 januari 2019 het college bericht niet te zullen verschijnen op de afspraak, omdat dit gesprek kennelijk een medische invalshoek heeft en het gesprek niet door artsen wordt gevoerd. Volgens appellant dient hij in het kader van zijn verzoek om vrijstelling door een onafhankelijke arts te worden opgeroepen en zal hij onder geen beding medische gegevens aanleveren bij zijn werkconsulent.

1.4.

Bij besluit van 28 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 december 2019 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het aan appellant is om een (medische) onderbouwing te geven voor zijn stelling dat hij niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Omdat appellant dit heeft nagelaten is terecht geen aanleiding gezien om een medisch onderzoek aan te vragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij het volgende overwogen. De bewijslast van dringende redenen die aanleiding kunnen vormen om ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen rust op appellant (zie de uitspraak van 29 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1586). Niet valt in te zien waarom dit anders zou zijn voor een verzoek om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen vanwege gestelde duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft niet aan die bewijslast voldaan. Appellant is niet bereid geweest om informatie over zijn medische situatie te verstrekken. Onder deze omstandigheden was het college niet verplicht appellant medisch te laten onderzoeken. Het komt voor eigen risico van appellant dat hij geen enkele medische gegevens aan het college heeft willen verstrekken (zie de uitspraak van 30 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3351).

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat het college een medisch onderzoek door een onafhankelijk arts had moeten laten verrichten omdat hij om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen en niet om ontheffing heeft gevraagd. Ook heeft hij opnieuw aangevoerd dat van hem niet kan worden verlangd medische gegevens in te leveren. De rechtbank is gemotiveerd op de gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hieraan het volgende toe.

4.2.

Het college was op basis van de enkele stelling van appellant dat hij niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen, rechtens niet gehouden een medisch onderzoek te laten verrichten. Het is aan appellant om eerst met (een begin van) bewijs te komen waaruit blijkt dat hij beperkingen bij de arbeidsinschakeling ondervindt voordat het aan het college is hier nader onderzoek naar te doen. Zoals het college bij het bestreden besluit met juistheid heeft overwogen zal in het kader van de PW dat onderzoek dan eerst gericht zijn op wat voor appellant op het gebied van de arbeidsinschakeling nog wel mogelijk is, zie de uitspraak van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:329. Pas als blijkt dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid zijn de arbeidsverplichtingen niet van toepassing.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2021.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.B.E. van Nimwegen