Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
18/3064 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestreden besluit 2 wordt mede in de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het rapport van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Van der Eijk geen grond biedt voor verdergaande beperkingen, behalve een urenbeperking. Er zijn geen medische gegevens in geding gebracht die tot een ander oordeel leiden. Nu het Uwv bij bestreden besluit 2 het oordeel van de rechtbank over de beperkingen van appellant heeft gevolgd, wordt geoordeeld dat bestreden besluit 2 op een juiste medische grondslag berust. Voorts wordt geoordeeld dat de op 11 juli 2018 geselecteerde voorbeeldfuncties in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 23 juni 2015 minder dan 35% is. Appellant wordt niet gevolgd in het standpunt dat ten onrechte als datum voor beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van de datum einde wachttijd, 23 juni 2015, en dat moet worden uitgegaan van de datum van beëindiging van de WIA-uitkering per 5 september 2016. De door appellant genoemde uitspraak van 1 november 2017 leidt niet tot een ander oordeel. Ook de uitspraak van 23 januari 2019, waarop appellant een beroep heeft gedaan, kan hem niet baten. Op grond van het voorgaande is daarom sprake van een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde van de wachttijd op 23 juni 2015, zoals het Uwv terecht heeft gesteld, en was het Uwv bevoegd om in het kader van een arbeidskundige beoordeling per die datum functies bij te duiden. De redelijke termijn is met ruim 13 maanden overschreden door de bestuursrechter. Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het gehonoreerde verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3064 WIA, 18/4335 WIA

Datum uitspraak: 17 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 april 2018, 16/7092 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.E. Gilden hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 6 augustus 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens appellant is hierop gereageerd.

Partijen hebben nadien over en weer gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat mede als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 9 december 2020. Namens appellant is mr. J.D. van Alphen verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als timmerman gedurende 17,32 uur per week. Op 26 juni 2013 heeft hij zich ziek gemeld wegens nierproblemen. Na een operatie aan de linker nier is bij appellant een persisterend beeld van clusterhoofdpijn ontstaan. In verband met een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op het spreekuur van de verzekeringsarts lichamelijk en psychisch onderzocht. Deze arts heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van clusterhoofdpijn, waarbij met name ’s nachts aanvallen plaatsvinden. Voor appellant zijn beperkingen vastgesteld voor verhoogd persoonlijk risico. Ook mag hij geen chauffeurswerkzaamheden verrichten en is hij beperkt voor frequent buigen, frequent zware lasten hanteren, klimmen en voor ’s nachts werken. De beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 november 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat het verlies aan verdiencapaciteit 36,31% bedraagt. Het Uwv heeft bij besluit van 21 december 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 23 juni 2015 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 36,31%. Bij besluit van 28 december 2015 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 12 november 2015 omgezet in een WGA-vervolguitkering, waarbij de uitkering is gebaseerd op indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

1.2.

Zowel appellant als de ex-werkgever hebben tegen de besluiten van 21 december 2015 en 28 december 2015 bezwaar gemaakt. Appellant heeft aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat als gevolg van de clusterhoofdpijn. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de aanvallen niet alleen ’s nachts plaatsvinden maar ook overdag. Voorts heeft appellant gesteld dat een aantal functies op de datum in geding niet actueel is, waardoor er onvoldoende functies resteren om de schatting op te baseren. De ex-werkgever heeft aangevoerd dat naast de door het Uwv geselecteerde functies nog vier andere functies geschikt zijn op grond waarvan een mate van arbeidsongeschiktheid op beide data in geding kan worden berekend van minder dan 35%.

1.3.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat hij zich kan vinden in de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Met de FML van 10 november 2015 is in voldoende mate tegemoet gekomen aan de klachten als gevolg van de clusterhoofdpijn van appellant. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens met betrekking tot elk van de twee data in geding, 23 juni 2015 en 12 november 2015, functies geselecteerd op basis waarvan op beide data de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op minder dan 35%.

1.4.

Bij brief van 26 mei 2016 heeft het Uwv appellant en de ex-werkgever op de hoogte gesteld van het voornemen om de besluiten van 21 en 28 december 2015 te herzien, in die zin dat appellant geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat hij zowel op 23 juni 2015 als op 12 november 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant heeft op dit voornemen gereageerd.

1.5.

Bij besluit van 25 juli 2016 heeft het Uwv het door de ex-werkgever ingediende bezwaar tegen de besluiten van 21 en 28 december 2015 gegrond verklaard. De bezwaren van appellant zijn bij afzonderlijk besluit van 25 juli 2016 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Appellant wordt met ingang van 23 juni 2015 als ook per 12 november 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht zodat hem ten onrechte per 23 juni 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend. Gelet op artikel 117 van de Wet WIA heeft het Uwv de WIA-uitkering per 5 september 2016, zijnde zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt, beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen, met inachtneming van de uitspraak en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het door appellant overgelegde rapport van verzekeringsarts E.C. van der Eijk geen onderbouwing kan worden gevonden voor het standpunt dat appellant meer beperkt is voor persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat uit dit rapport wel volgt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de nachtelijke aanvallen en de gevolgen daarvan voor het functioneren van appellant overdag. De rechtbank heeft verzekeringsarts Van der Eijk gevolgd in zijn standpunt dat appellant bij een volledige werkweek onvoldoende rust- en recuperatiemogelijkheden heeft. Daarnaast heeft appellant soms ook overdag na 15.00 uur last van hoofdpijnaanvallen. Hierdoor heeft het Uwv de belastbaarheid van appellant niet juist vastgesteld. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. Bij de opdracht om een nieuw besluit te nemen heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, gelet op het rapport van verzekeringsarts Van der Eijk, in de FML in ieder geval een urenbeperking van 6 uur per dag, gedurende 30 uur per week dient op te nemen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn beperkingen zijn onderschat. Onder verwijzing naar het rapport van verzekeringsarts Van der Eijk is hij van mening dat naast een urenbeperking in de FML ook beperkingen moeten worden aangenomen in verband met zijn vermoeidheid en verminderde alertheid en voor wisselende diensten. Verder heeft verzekeringsarts Van der Eijk vermeld dat appellant vanwege hoofdpijnaanvallen in de namiddag niet na 15.00 uur kan werken.

3.2.

Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar van 6 augustus 2018 (bestreden besluit 2) genomen. In dit besluit heeft het Uwv appellant onveranderd per 23 juni 2015 en 12 november 2015 minder dan 35% arbeidsongeschiktheid geacht. Aan dit besluit ligt ten grondslag een aangepaste FML van 5 juli 2018, waarin een urenbeperking is opgenomen van ongeveer 6 uur per dag en ongeveer 30 uur per week en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 juli 2018, waarin is vermeld dat appellant met nieuw geselecteerde functies, waarvan slechts één functie valt binnen een eerder geduide SBC-code, op basis van de FML van 5 juli 2018 met ingang van 23 juni 2015 24,74% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft daarom de beëindiging van de WIA-uitkering per 5 september 2016 gehandhaafd.

3.3.

In reactie op bestreden besluit 2 heeft appellant aangevoerd dat het bijduiden van functies niet geoorloofd is omdat hier geen sprake is van weigering van een WIA-uitkering per einde wachttijd. Per einde wachttijd is een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend en per 12 november 2015 een WGA-vervolguitkering. Eerst in bezwaar heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35% en op grond daarvan de WIA-uitkering pas met ingang van 5 september 2016 beëindigd. Appellant heeft voorts aangevoerd dat ten onrechte functies zijn geduid betrekking hebbend op de datum 23 juni 2015, terwijl het Uwv eerder nog is uitgegaan van twee data in geding, zijnde 23 juni 2015 en 12 november 2015. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925 en de uitspraak van 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:220, heeft appellant betoogd dat de datum 5 september 2016 als datum in geding heeft te gelden omdat eerst per deze datum de WIA-uitkering is beëindigd. Een deel van de functies heeft een actualisatiedatum van vóór 5 september 2016 en die functies kunnen dan ook niet aan de schatting ten grondslag gelegd worden. Verder moet bij een deel van de functies in de namiddag worden gewerkt, waardoor deze niet passend zijn vanwege in de namiddag voorkomende hoofdpijnaanvallen.

3.4.

Het Uwv heeft met verwijzing naar de uitspraak van 15 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU0009 en de uitspraak van 15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4724 erop gewezen dat een op grond van artikel 36b van de WAO, welk artikel vergelijkbaar is met artikel 117 van de WIA, stoelende intrekking wordt gevolgd, tenzij zou blijken dat er in de periode tussen het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de met de toepassing van artikel 36b van de WAO vastgestelde datum een relevante wijziging van de verdiencapaciteit is ingetreden. Dat is bij appellant niet aan de orde omdat de FML van 5 juli 2018 de belastbaarheid vermeldt vanaf 23 juni 2015. Hieruit volgt dat uitsluitend 23 juni 2015 de datum in geding is. Uit het rapport van 20 februari 2019 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkt dat de arbeidsdeskundige-analist desgevraagd heeft toegelicht dat bij de geduide functies de mogelijkheid bestaat het werk zo te organiseren dat geen werkzaamheden worden verricht na 15.00 uur.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank door het Uwv genomen nieuwe beslissing op bezwaar van 6 augustus 2018 (bestreden besluit 2) wordt met toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede in de beoordeling betrokken.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het rapport van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts Van der Eijk geen grond biedt voor verdergaande beperkingen, behalve een urenbeperking. Er zijn geen medische gegevens in geding gebracht die tot een ander oordeel leiden. Nu het Uwv bij bestreden besluit 2 het oordeel van de rechtbank over de beperkingen van appellant heeft gevolgd, wordt geoordeeld dat bestreden besluit 2 op een juiste medische grondslag berust.

4.3.

Voorts wordt geoordeeld dat de op 11 juli 2018 geselecteerde voorbeeldfuncties, gelet op de in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 februari 2019 gegeven toelichting dat de mogelijkheid bestaat dat het werk zodanig kan worden georganiseerd dat de functies niet na 15.00 uur hoeven te worden uitgeoefend, in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 23 juni 2015 minder dan 35% is.

4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in het standpunt dat ten onrechte als datum voor beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt uitgegaan van de datum einde wachttijd, 23 juni 2015, en dat moet worden uitgegaan van de datum van beëindiging van de WIA-uitkering per 5 september 2016. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Gelet op de medische en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant bij het einde van de wachttijd, 23 juni 2015, geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Aangezien aan appellant bij besluit van 21 december 2015 een loongerelateerde uitkering was toegekend, en bestreden besluit 2 is genomen mede na bezwaar door de ex-werkgever, is die uitkering in overeenstemming met artikel 56, tweede lid, en artikel 117 van de Wet WIA niet ingetrokken per datum van het einde van de wachttijd, maar pas per 5 september 2016, zes weken na bestreden besluit 1 (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3748 en de in die uitspraak genoemde uitspraak van 14 juli 2017, (na rectificatie) ECLI:NL:CRVB:2017:3923. Dat aan appellant inmiddels aansluitend aan de loongerelateerde uitkering een vervolguitkering was toegekend, doet daar niet aan af. Die uitkering was eveneens gebaseerd op het onjuist gebleken uitgangspunt dat appellant ten minste 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft verder met juistheid gesteld dat volgens vaste rechtspraak, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de genoemde uitspraken van 15 juli 2005 en 15 maart 2013, zodanige intrekking alleen niet is geoorloofd wanneer zou blijken dat er in de periode tussen het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de met toepassing van 36b van de WAO (in dit geval artikel 117 van de Wet WIA) vastgestelde datum een relevante wijziging in appellants verdiencapaciteit is opgetreden. Het Uwv heeft met juistheid gesteld dat van zodanige wijziging bij appellant niet is gebleken, gelet op de FML van 5 juli 2018, waarin ongewijzigde beperkingen zijn vermeld, geldig vanaf 23 juni 2015. Dit laatste standpunt heeft appellant ook niet betwist.

4.6.

De door appellant genoemde uitspraak van 1 november 2017 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak was een beëindiging van rechtens toegekend ziekengeld aan de orde na een beoordeling op grond van artikel 19aa van de Ziektewet (ZW). In artikel 19aa, tweede lid, is vermeld dat in de situatie dat een betrokkene met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen per uur kan verdienen, de uitkering met inachtneming van een termijn van een maand wordt beëindigd. Het in die uitspraak weergegeven standpunt van het Uwv dat in die situatie de aanzegjurisprudentie onverkort van toepassing is en een uitlooptermijn in acht moet worden genomen alvorens een lopende uitkering kan worden beëindigd is door de Raad onderschreven. De datum in geding is daarom naar het oordeel van de Raad in die zaak de datum waarop, aan het einde van de uitlooptermijn, de uitkering wordt beëindigd. Anders dan in die uitspraak, waarin het recht op ziekengeld tot de beoordeling met toepassing van artikel 19aa van de ZW niet ter discussie was, had appellant, zo is in bezwaar gebleken, na het einde van de wachttijd geen recht op uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, en is zijn medische situatie nadien niet gewijzigd.

4.7.

Ook de uitspraak van 23 januari 2019, waarop appellant een beroep heeft gedaan, kan hem niet baten. De in die uitspraak vermelde vaste rechtspraak dat de datum in geding is de datum waarop aan het einde van de uitlooptermijn de uitkering wordt beëindigd ziet op de in die uitspraak zich voordoende situatie dat een toegekende WIA-uitkering enkele jaren later als gevolg van een herbeoordeling werd beëindigd, maar waarin na bezwaar nieuwe functies waren geselecteerd. Aldus was een nieuwe uitlooptermijn voor het beëindigen van de uitkering vereist en moest de nieuwe beëindigingsdatum worden aangemerkt als datum in geding. Die uitspraak ziet dus evenmin op een situatie als die van appellant, die, achteraf gezien aan het einde van de wachttijd, geen recht op WIA-uitkering had omdat hij niet in relevante mate arbeidsongeschikt was.

4.8.

Op grond van het voorgaande is daarom sprake van een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per einde van de wachttijd op 23 juni 2015, zoals het Uwv terecht heeft gesteld, en was het Uwv bevoegd om in het kader van een arbeidskundige beoordeling per die datum functies bij te duiden.

4.9.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten. Het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 moet ongegrond worden verklaard.

5.1.

Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

5.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

5.3.

Voor dit geval betekent dit het volgende. In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 1 februari 2016 van door hem ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak ruim vijf jaar verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim 13 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,-, zijnde totaal € 1.500,-. Het Uwv heeft binnen een half jaar op het bezwaar beslist. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening is van de Staat.

5.4.

Aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellant in verband met het gehonoreerde verzoek om schadevergoeding. Deze kosten worden begroot op € 267,- ten laste van de Staat voor verleende rechtsbijstand.

5.5.

Voor een verdere veroordeling in de proceskosten van appellant in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2018 ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en M.J. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) A.M.M. Chevalier