Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/1380 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon. Terecht vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1380 WAJONG

Datum uitspraak: 19 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

14 februari 2019, 18/2131 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Goudkade, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op

12 februari 2021. Namens appellante heeft deelgenomen mr. F.S.P. Wagemaker, kantoorgenoot van mr. Goudkade. Voor het Uwv heeft mr. C. Roele deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [geboortedatum] 1969, heeft sinds 1987 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die per 1 januari 1998 is voortgezet als een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998). Appellante is bekend met paniekaanvallen, angsten en depressieve gevoelens. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 7 februari 2017 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van

19 juli 2017 vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

1.3.

Bij besluit van 27 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 19 juli 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Appellante heeft geen stukken overgelegd op grond waarvan aan de juistheid van die rapporten getwijfeld zou moeten worden. Het Uwv mocht zich derhalve bij de beoordeling van de vraag of appellante arbeidsvermogen heeft op die rapporten baseren. Appellante kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt. De rechtbank heeft overwogen dat in de rapporten genoegzaam is uiteengezet welke beperkingen van appellante maken dat zij begeleiding nodig heeft. De rechtbank heeft uit de diverse rapporten afgeleid dat de begeleiding waar het Uwv op doelt, zowel betrekking heeft op de overbrugging van de afstand tot arbeidsmarkt als het functioneren met de aangenomen beperkingen. De wijze waarop in de praktijk concreet invulling gegeven moet worden aan die begeleiding staat los van de aan de orde zijnde theoretische beoordeling van het arbeidsvermogen van appellante. Appellante wordt evenmin in haar standpunt gevolgd dat zij niet vier uur belastbaar is en dat het Uwv onvoldoende heeft meegewogen dat sprake is van een toename van klachten. Volgens de rechtbank heeft appellante nagelaten haar standpunt te onderbouwen met medische informatie.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij geen arbeidsvermogen heeft, omdat zij niet beschikt over basale werknemersvaardigheden. Zij heeft last van stemmingswisselingen en komt zo min mogelijk in contact met derden. Bij kritiek of stress en het moeten accepteren van gezag, kan zij niet goed haar woede beheersen. Het Uwv heeft haar in staat geacht met de juiste intensieve en langdurige begeleiding basale werknemersvaardigheden te kunnen ontwikkelen, maar heeft onvoldoende gemotiveerd hoe en op welke wijze zij deze vaardigheden zou kunnen ontwikkelen. Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij door haar medische klachten niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Zij heeft verzocht om aanhouding van de zitting, omdat er nog een endoscopisch onderzoek, slaaponderzoek en onderzoek naar schouderklachten lopen die van invloed zijn op deze beoordeling.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het relevante wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078.

4.2.

In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op

1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018 en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.3.

Appellante heeft in hoger beroep volstaan met een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Vastgesteld is dat appellante beperkingen heeft ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren, waarbij de afstand tot de arbeidmarkt groot is en de onzekerheid van appellante zich zal vertalen in vermijding en ziektegedrag. Om dit te kunnen overwinnen is adequate, langdurige en begripvolle begeleiding nodig. Volgens de arbeidsdeskundige is het met de juiste begeleiding niet onmogelijk appellante actief te laten zijn in een sociale omgeving als werk. Het standpunt van appellante dat zij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, omdat zij geen gezag accepteert, woede uitbarstingen kent en stemmingswisselingen heeft, heeft zij niet onderbouwd met medische informatie waaruit dit blijkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht overwogen dat van een psychiatrische stoornis, die het aannemelijk maakt dat appellante geen afspraken kan maken of nakomen of instructies niet kan begrijpen of uitvoeren dan wel anderszins niet autonoom is in het tolereren van gezag, niet is gebleken.

4.4.

Het standpunt van appellante dat zij door haar medische klachten niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, wordt evenmin gevolgd. Door de artsen van het Uwv is onderkend dat appellante na een galblaasoperatie in 2006 buikklachten is blijven houden in verband waarmee het voor appellante noodzakelijk is dat zij vrijelijk een toilet kan bezoeken. In verband met het ontbreken van andere lichamelijke klachten en beperkingen ten tijde van het spreekuur van de primaire arts op 10 juli 2017 is door deze afgezien van een lichamelijk onderzoek. Eerst kort voor de zitting in hoger beroep heeft appellante melding gemaakt van energetische klachten als ook van schouderklachten, waarvoor zij nog medisch zal worden onderzocht. Nu niet is gebleken dat deze klachten ook al aanwezig waren op de datum in geding van 1 januari 2018, ziet de Raad geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de resultaten van nog te verrichten medische onderzoeken naar die klachten.

4.5.

Nu appellante gelet op het voorgaande beschikt over arbeidsvermogen, is de Wajonguitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon.

4.6.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een schadevergoeding niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2021.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) B.V.K. de Louw