Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
18/5972 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon. Terecht vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft. Getoetst conform arrest Korošec. 1) Het onderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. 2) geen sprake van schending van het beginsel van equality of arms. 3) De conclusie van de verzekeringsarts kan worden gevolgd, omdat deze inzichtelijk en toereikend gemotiveerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5972 WAJONG

Datum uitspraak: 18 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

9 oktober 2018, 17/4665 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R. van der Wijngaard hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door Van der Wijngaard. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [geboortedatum] 1978, ontvangt in verband met psychische klachten sinds 17 september 1998 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998), laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 2015) in werking getreden. Bij brief van 21 november 2016 heeft het Uwv aan appellante een voorlopige beoordeling arbeidsvermogen gestuurd, waarin is vermeld dat aangenomen wordt dat appellante arbeidsvermogen heeft. Bij besluit van

2 januari 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon. Appellante heeft in reactie daarop te kennen gegeven het niet eens te zijn met deze beoordeling en dat zij graag gekeurd wil worden door een verzekeringsarts die haar eerder heeft gezien. Het Uwv heeft op 16 januari 2017 een (niet volledig ingevulde) vragenlijst van appellante ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 24 juli 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 2 januari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft appellante meegedeeld dat zij twee keer is uitgenodigd voor een herkeuring. Bij de eerste keer heeft Van der Wijngaard haar afspraak afgezegd op medische gronden en de tweede keer is appellante zonder berichtgeving niet verschenen. Omdat appellante niet heeft meegewerkt aan het onderzoek, heeft het Uwv automatisch aangenomen dat zij over arbeidsvermogen beschikt.

2.1.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Het Uwv heeft appellante alsnog opgeroepen voor een beoordeling van haar arbeidsvermogen. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

2 juli 2018 (bestreden besluit 2) vastgesteld dat appellante arbeidsvermogen heeft, als gevolg waarvan de Wajong‑uitkering met ingang van 1 januari 2018 wordt verlaagd van 75% naar 70% van het minimumloon.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk en tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat appellante alleen de medische grondslag van bestreden besluit 2 heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts in haar rapport op inhoudelijk overtuigende wijze heeft gemotiveerd dat appellante, met inachtneming van haar beperkingen, ten minste vier uur per dag belastbaar is en ten minste een periode van één uur aaneengesloten kan werken. Het beroep van appellante heeft geen aanleiding gegeven om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid van appellante vastgesteld en de problemen bij het uitvoeren van activiteiten beschreven in haar rapport. Er is geen nieuwe medische informatie bij de behandelend sector opgevraagd, omdat appellante voldoende geïnformeerd was over haar klachten en gevolgde behandelingen, deze informatie adequaat kon verwoorden en appellante bovendien geen actuele behandeling volgt.

2.3

De rechtbank heeft daarbij verder in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts op basis van haar onderzoeksbevindingen tot de is conclusie gekomen dat er sprake is van borderline persoonlijkheidsstoornis, een gegeneraliseerde angststoornis en alcoholabusus, met als gevolg dat appellante hierdoor verschillende beperkingen heeft op mentaal (psychisch/cognitief) en sociaal gebied. Gezien het beloop van de medische situatie met perioden van decompensatie vindt zij appellante kwetsbaar. Op grond van het medische beeld en de onderzoeksbevindingen zijn er ondanks de aanwezige beperkingen, geen aanwijzingen voor een situatie van geen benutbare mogelijkheden, omdat appellante zelfstandig woont, voor haar eigen huishouden zorgt en ongeveer twee keer per week zelfstandige werkzaamheden als tolk verricht. Er zijn volgens haar ook geen aanwijzingen dat appellante niet een uur aaneengesloten kan werken, nu appellante zelfstandig kan werken als tolk. Voorts zijn er volgens de verzekeringsarts geen aanwijzingen voor een aandoening met een ernstige energetische beperking of een beperkte beschikbaarheid, waardoor appellante, rekening houdend met de beperkingen, niet tenminste vier uur per dag belastbaar is. Gezien de ernst van de klachten en de energie die het appellante kost om buiten de eigen veilige omgeving te functioneren, vindt de verzekeringsarts het wel aannemelijk dat appellante op energetische gronden maximaal vier uur per dag belastbaar is. Appellante heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij meer of verdergaand beperkt moet worden geacht dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Dat appellante naast de psychische klachten die de verzekeringsarts in haar beoordeling heeft betrokken, ook fysieke klachten, zoals neuropatische pijn in de tanden en migraine, zou hebben, is niet medisch onderbouwd. De verzekeringsarts hoefde daar dan ook geen rekening mee te houden bij de beoordeling van de medische belastbaarheid van appellante. In wat appellante overigens heeft aangevoerd over haar medische en sociale situatie heeft het Uwv geen reden hoeven zien om haar niet in staat te achten vier uur per dag, waarvan één uur aaneengesloten, te werken.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts heeft in haar rapport ten onrechte gesteld dat zij een ingevulde vragenlijst heeft bestudeerd en onjuist vermeld dat het alcoholmisbruik deels in remissie is. Appellante is van mening dat zij vanwege haar fysieke en psychische klachten niet één uur aaneengesloten kan werken en niet maximaal vier uur per dag belastbaar is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij informatie van een psychiater van 1995, een kaakchirurg van 2008, een behandelovereenkomst van 2005 en informatie van een

psychotherapeut/GZ-psycholoog van januari 2021 overgelegd. Appellante heeft met een beroep op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015, ECLI:CHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec), de Raad gevraagd een deskundige te benoemen, omdat volgens haar het beginsel van equality of arms is geschonden. Appellante stelt dat zij niet in staat is geweest om zelfstandig haar medische informatie te verzamelen en over te leggen en de rapporten gemotiveerd te betwisten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 12 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2078.

4.2.

In geschil is of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante op

1 januari 2018 arbeidsvermogen had. Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of bij een betrokkene sprake is van (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018, en 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:286.

4.3.

Partijen houdt verdeeld de vraag of appellante voldoet aan de voorwaarde dat zij niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van één uur en niet ten minste vier uur per dag belastbaar is.

4.4.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) heeft de Raad, gelet op het arrest Korošec, de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Getoetst dient te worden in drie stappen, te weten: 1. zorgvuldigheid van de besluitvorming, 2. equality of arms, en

3. inhoudelijke beoordeling.

Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming.

4.5.

Het onderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts dossieronderzoek heeft gedaan en informatie van de behandelaars en de eerdere Wajong-(her)beoordelingen heeft meegewogen. Daarnaast heeft zij appellante op het spreekuur gezien, een anamnese en een psychisch onderzoek uitgevoerd. De grond van appellante over de vragenlijst, slaagt niet. Deze vragenlijst was ingevuld, zij het dat deze nagenoeg blanco was en alleen voorzien was van de naam van de contactpersoon. Dit maakt dat er geen sprake was van een onjuiste vermelding in de rapportage. Hoewel de vermelding in de rapportage van de verzekeringsarts dat de vragenlijst werd bestudeerd, suggereert dat deze vragenlijst relevante informatie bevat, maakt dit niet dat deze vermelding onjuist of de rapportage onzorgvuldig is. De vermelding in de rapportage dat het alcoholgebruik in remissie is, is inderdaad niet juist. Omdat de verzekeringsarts wel rekening heeft gehouden met fors alcoholmisbruik - appellante gebruikt dagelijks zes á zeven blikken bier -– is geen sprake van een onjuiste beoordeling.

Stap 2: equality of arms

4.6.

Geen reden bestaat om aan te nemen dat appellante belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van het standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Appellante heeft in de procedure voldoende ruimte gehad om medische stukken in te dienen om haar standpunt met medische gegevens te onderbouwen. Die ruimte heeft zij ook benut door inzending van gegevens van behandelaars uit het verleden en recente gegevens van de psychotherapeut/GZ-psycholoog van januari 2021. Appellante heeft er zelf vanaf gezien om gegevens van haar behandelend psychiater en huisarts in te sturen. Ten onrechte is appellante ervan uitgegaan dit geen bruikbare informatie kan zijn. Van een schending van het beginsel van equality of arms is onder deze omstandigheden geen sprake, zodat er geen aanleiding is om op die grond een deskundige te benoemen.

Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.7.

De overwegingen van de rechtbank over de medische beoordeling worden onderschreven. De conclusie van de verzekeringsarts kan worden gevolgd, omdat deze inzichtelijk en toereikend gemotiveerd is. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat appellante, wanneer rekening wordt gehouden met haar psychische beperkingen en onder de door het Uwv geschetste voorwaarden voor het functioneren in een werkomgeving, niet ten minste één uur aaneengesloten kan werken en niet gedurende vier uur per dag belastbaar is. De overgelegde gegevens van de psychotherapeut/GZ-psycholoog leiden niet tot een ander oordeel, nu deze gegevens zien op een behandeling die in 2019, dus na de datum hier in geding, is aangevangen voor op dat moment bestaande klachten. Dat deze behandelaar heeft geoordeeld dat appellante een kwetsbaar persoon is, heeft de verzekeringsarts onderkend en betrokken bij zijn beoordeling van de belastbaarheid van appellante.

4.8.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat appellante beschikt over arbeidsvermogen. Gelet hierop is de Wajong-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2018 terecht verlaagd naar 70% van het minimumloon.

4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van

G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 18 maart 2021.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) G.S.M. van Duinkerken