Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:622

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
17/7874 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft terecht bezwaar gemaakt tegen het oordeel van het Uwv dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Ernstig arbeidsconflict. Rol van de verzekeringsarts. Voorts heeft het Tuchtcollege geoordeeld dat niet is gebleken dat de bedrijfsarts appellante heeft beschermd tegen het gevoerde casemanagement, waarvan duidelijk was of had moeten zijn dat het schadelijk was voor de gezondheid van appellante. Het Tuchtcollege is tot de slotsom gekomen dat de bedrijfsarts over een langere tijd structureel nalatig heeft gehandeld ten opzichte van appellante. Het besluit om geen loonsanctie op te leggen wordt niet gedragen door een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7874 WIA

Datum uitspraak: 18 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

2 november 2017, 16/2376 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.J. Ruiter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 4 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ruiter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is bij de [naam stichting] te [vestigingsplaats] werkzaam geweest als [naam functie] . Op 1 maart 2014 heeft zij zich ziek gemeld met burn-out klachten. Appellante is geregeld door de bedrijfsarts gezien. Op 3 april 2015 heeft appellante een deskundigenoordeel van het Uwv gevraagd. In dat kader is zij op 22 mei 2015 op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien. Deze verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellante aan voldoende criteria voldoet om te kunnen spreken van een ernstige psychische stoornis en dat daarom sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bij rapport van 29 juni 2015 geconcludeerd dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen voldoende zijn zolang er sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden van appellante. De arbeidsdeskundige heeft daaraan toegevoegd dat het deskundigenoordeel een momentopname betreft waaraan geen voorspellende waarde mag worden toegekend. Werkgever en werknemer worden geacht in overleg met de bedrijfsarts adequaat in te spelen op veranderingen in de specifieke situatie. Er dient regelmatig constructief overleg te zijn tussen werknemer, werkgever en bedrijfsarts.

1.2.

Appellante heeft op 9 december 2015 een aanvraag ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. In verband daarmee heeft appellante op

29 december 2015 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. In het rapport van

4 januari 2016 heeft deze verzekeringsarts vermeld dat de klachten van appellante berusten op een forse psychische surmenage en vermeld dat in de periode tot ‘einde wachttijd’ sprake was van gezondheidsproblemen die re-integratie blokkeren. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot functioneren heeft en dat een arbeidskundig onderzoek achterwege kan blijven.

1.3.

In navolging van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van

11 januari 2016 aan appellante met ingang van 27 februari 2016 een WIA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Met het besluit van 11 januari 2016 heeft het Uwv tevens beslist dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende worden geacht. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het oordeel van het Uwv dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Hierop heeft een beoordeling van een verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgehad. Deze arts is in zijn rapport van 16 juni 2016 tot de conclusie gekomen dat hij geen objectief medische gronden heeft aangetroffen om het advies van de primaire verzekeringsarts voor onjuist te houden. Bij besluit van 23 juni 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het medische onderzoek op zorgvuldige wijze en conform de eisen die aan een dergelijk onderzoek worden gesteld, plaatsgevonden. De verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de beschikbare informatie van de behandelende artsen bij hun beoordeling betrokken. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat deze informatie onjuist is uitgelegd en dat gelet op de beschikbare medische gegevens, het Uwv op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat appellante gedurende de wachttijd niet beschikte over benutbare mogelijkheden. Volgens de rechtbank heeft het Uwv daarom terecht geen loonsanctie aan de werkgever opgelegd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante - samengevat – herhaald dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende zijn geweest. Zij heeft daarbij opnieuw mede gewezen op de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven van 14 januari 2016, waarbij haar klachten jegens de bedrijfsarts gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Het Tuchtcollege heeft de bedrijfsarts vanwege structureel nalatig handelen ten opzichte van appellante de maatregel van berisping opgelegd. Volgens appellante zijn in het kader van haar verzuimbegeleiding en re-integratie essentiële fouten gemaakt, waren er wel degelijk benutbare mogelijkheden en is ook de toepasselijke regelgeving niet gevolgd. Een zorgvuldige beoordeling van het bezwaar en het beroep heeft niet plaatsgevonden, hoewel is onderbouwd dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, dat er meerdere malen benutbare mogelijkheden waren en dat re-integratiekansen werden gemist. Volgens appellante is de uitspraak van de rechtbank onzorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd en heeft de rechtbank een te beperkte toepassing gegeven aan het relevante juridische kader, waaronder de Wet WIA, de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter en de geldende rechtspraak.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante met het hoger beroep niet kan bereiken dat de werkgever alsnog een loonsanctie wordt opgelegd. Zoals eerder is overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:298, betekent dit niet dat appellante geen belang heeft bij een beoordeling door de bestuursrechter van de in het besluit van 11 januari 2016 neergelegde en bij het bestreden besluit gehandhaafde opvatting van het Uwv dat de werkgever niet in zijn re-integratie-inspanningen is tekortgeschoten. Uit genoemde uitspraak volgt dat appellante met het oog op een mogelijke aanspraak op schadevergoeding belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

4.2.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat geen sprake is van een bevredigend resultaat van de re-integratie-inspanningen. In het onderhavige geding is de vraag aan de orde of het Uwv terecht geen loonsanctie aan de werkgever heeft opgelegd, omdat de werkgever op het oordeel van zijn bedrijfsarts mocht afgaan dat bij appellante sprake was van geen benutbare mogelijkheden om in werkzaamheden te re-integreren.

4.3.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

4.4.

Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het Uwv de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het Uwv de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.

4.5.

Vastgesteld wordt dat uit het onderhavige dossier niet blijkt dat het Uwv het beoordelingskader van de Beleidsregels zoals in 4.4 is weergegeven, heeft gevolgd. Ter verduidelijking voor het niet volgen van die regels heeft het Uwv in zijn verweerschrift van 19 februari 2018 vermeld dat het opvolgen van de exacte voorschriften zoals opgenomen in de procesgang, secundair is ten opzichte van de feitelijke re-integratie. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat het na te streven resultaat van de re-integratie, te weten volledige hervatting in eigen of aangepast werk bij de eigen werkgever, niet kon worden bereikt aangezien er bij appellante sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Het Uwv is van oordeel dat hij terecht tot die conclusie is gekomen en heeft daartoe verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2016 waarin deze arts dat, volgens het Uwv, op eenduidige en consistente wijze uiteen heeft gezet. Als er geen benutbare mogelijkheden zijn, is volgens het Uwv arbeidskundig onderzoek naar de re-integratie-inspanningen in beginsel niet opportuun. Daarom is een dergelijk onderzoek achterwege gelaten.

4.6.

Appellante heeft gemotiveerd betwist dat bij haar steeds sprake zou zijn geweest van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Daartoe heeft zij allereerst erop gewezen dat zij door haar onterechte schorsing (tot twee keer toe) en bejegening door haar leidinggevende [naam leidinggevende] overspannen is geraakt. Zij heeft haar werkgever herhaaldelijk mondeling en schriftelijk gevraagd om in haar eigen functie te mogen re-integreren conform haar arbeidsovereenkomst, maar zonder resultaat. Appellante heeft er ook op gewezen dat zij heeft gesolliciteerd naar eenzelfde functie in een ziekenhuis in [sittard] waarvoor zij in eerste instantie was aangenomen, en vijf weken later zonder opgave van een reden met een standaardbrief is afgewezen. Ook heeft zij tevergeefs meerdere malen verzocht om te mogen worden begeleid door een andere casemanager dan [naam leidinggevende] . Begin 2015 heeft de behandelende psycholoog van appellante de bedrijfsarts laten weten dat appellante voldoende draagkrachtig was om te re-integreren. Na een daarop volgend gesprek met [naam leidinggevende] en

[X] van de afdeling P&O op 4 februari 2015 heeft appellante echter opnieuw een terugval gehad. Appellante heeft gewezen op de uitspraak van het Tuchtcollege waaruit blijkt dat slechts flinke spanningsklachten en de rol van de casemanager tot ziekmelding van appellante hebben geleid. Volgens het Tuchtcollege heeft de verzekeringsarts

[naaam verzekeringsarts] ten onrechte in zijn rapport van 4 januari 2016 geschreven dat appellante is uitgevallen vanwege psychische klachten. Voorts heeft het Tuchtcollege geoordeeld dat niet is gebleken dat de bedrijfsarts appellante heeft beschermd tegen het gevoerde casemanagement, waarvan duidelijk was of had moeten zijn dat het schadelijk was voor de gezondheid van appellante. Het Tuchtcollege is tot de slotsom gekomen dat de bedrijfsarts over een langere tijd structureel nalatig heeft gehandeld ten opzichte van appellante.

4.7.

Gelet op wat appellante naar voren heeft gebracht en de in het dossier aanwezige gedingstukken bestaat aanleiding om appellante in haar standpunt te volgen. Daarbij is allereerst. van belang dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen van 26 mei 2015,

4 januari 2016 en 16 juni 2016 niet kenbaar blijkt dat zij bij hun conclusie, dat bij appellante sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden de daarvoor geldende limitatieve criteria van artikel 2, vijfde lid van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, hebben betrokken. Een nadere motivering was op zijn plaats geweest, omdat appellante niet was opgenomen in een ziekenhuis of AWBZ-instelling, zij niet bedlegerig was, niet ADL-afhankelijk en er geen sprake was van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op grond van een ernstige psychische stoornis. Ook is nergens uit de stukken gebleken dat appellante onder behandeling was of was geweest van een psychiater. Desgevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv op het voorgaande geen nader licht kunnen werpen.

4.8.

Uit de gedingstukken blijkt evident dat (tenminste) vanaf de datum ziekmelding op

1 maart 2014 sprake was van een ernstig arbeidsconflict tussen appellante en haar directe leidinggevende en casemanager [naam leidinggevende] . Aan het in zijn rapport van 29 juni 2015 door de arbeidsdeskundige gegeven advies dat er regelmatig constructief overleg moet zijn tussen werknemer, werkgever en bedrijfsarts is door werkgever en bedrijfsarts in het geheel geen gevolg gegeven. Ook is niets gedaan met de mededeling van de arbeidsdeskundige dat vanuit de Wet verbetering Poortwachter wordt verwacht dat knelpunten in de verstandhouding al dan niet via tussenkomst van een derde, moeten worden opgelost. Aangezien appellante tenminste tot twee keer toe tevergeefs heeft verzocht om in haar re-integratie te mogen worden begeleid door een andere casemanager en er geen aanpak heeft plaatsgevonden die gericht was op verbetering van de relatie met appellante, is de conclusie gerechtvaardigd dat de werkgever, in de personen van [naam leidinggevende] en de bedrijfsarts, niet van zins waren om voor het arbeidsconflict een acceptabele oplossing te vinden. Daarmee heeft de werkgever de situationele arbeidsongeschiktheid van appellante tegen beter weten in, in stand gehouden. In een dergelijke situatie kan de werkgever niet zonder meer afgaan op de bevindingen van de bedrijfsarts. De werkgever heeft daarom ten onrechte geen re-integratie-inspanningen verricht. Verwacht had mogen worden dat wel inspanningen zouden zijn verricht om te komen tot re-integratie van appellante, in de eigen organisatie, maar zeker ook via het zogenoemde tweede spoor.

5. Wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het besluit om geen loonsanctie op te leggen niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten worden vernietigd. Omdat herstel van het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit er, gelet op artikel 25, eerste lid, van de Wet WIA niet toe kan leiden dat aan de werkgever alsnog een loonsanctie wordt opgelegd, moet het besluit van 11 januari 2016, voor zover het betrekking heeft op het niet opleggen van een loonsanctie aan werkgever, worden herroepen.

6.1.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt het volgende.

6.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

6.3.

In het geval van appellante zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 21 januari 2016 van het tegen het besluit van 11 januari 2016 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak vijf jaar en twee maanden verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar en twee maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-. Het Uwv heeft binnen een half jaar op het bezwaar beslist. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter, zodat de te betalen schadevergoeding voor rekening is van de Staat.

7. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden voor wat betreft de verleende rechtsbijstand begroot op € 1.068,- in bezwaar, € 1.068,- in beroep en op € 1.068,- in hoger beroep. De totale kostenveroordeling is € 3.204,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 23 juni 2016;

- herroept het besluit van 11 januari 2016 voor zover het betrekking heeft op het niet opleggen van een loonsanctie aan de werkgever en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 23 juni 2016;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appelante tot een bedrag van € 3.204,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt;

- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J. Brand en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2021.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) V.M. Candelaria