Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/3052 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastgesteld wordt dat bij het in rechte vaststaand besluit van 6 juni 2019 alsnog een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden over de vraag of binnen vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 27 maart 2011 een periode is aan te wijzen waarin appellante gedurende vier weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering werd genoten als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO. Bij dat besluit is die vraag voor appellante ontkennend beantwoord. Het procesbelang van appellante is komen te vervallen. Dit betekent dat appellante geen in rechte te respecteren procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit hoger beroep. Het hoger beroep van appellante zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3052 WAO

Datum uitspraak: 17 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 9 juli 2019, 18/2556 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij faxbericht van 2 februari 2021 nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen op 3 februari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar dochter en mr. Driessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Budel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sedert 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na herbeoordeling heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 maart 2011 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%. Deze beslissing staat in rechte vast.

1.2.

Appellante heeft op 26 oktober 2017 een melding van verslechtering van haar gezondheid gedaan en verzocht om een zogenaamde Amber-herbeoordeling. Het Uwv heeft bij brief van 14 november 2017 aan appellante gevraagd om vóór 24 november 2017 gegevens te verstrekken en daarbij te kennen gegeven dat als appellante die gegevens niet of niet volledig verstrekt, dit tot gevolg kan hebben dat het Uwv de aanvraag niet verder in behandeling zal nemen. Bij brief van 14 december 2017 heeft het Uwv nogmaals verzocht om voor
28 december 2017 gegevens in te zenden, opnieuw met de vermelding dat anders de aanvraag niet verder in behandeling kan worden genomen.

1.3.

Bij besluit van 9 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 oktober 2018 (bestreden besluit), heeft het Uwv de aanvraag van appellante van 26 oktober 2017 buiten behandeling gesteld. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de gevraagde informatie daadwerkelijk tijdig per post naar het Uwv heeft verzonden.

1.4.

Appellante heeft op 6 maart 2018 het Uwv nogmaals verzocht om een Amber-herbeoordeling van haar recht op uitkering. Bij besluit van 14 maart 2018 heeft het Uwv deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juni 2019 gegrond verklaard. Het Uwv heeft alsnog een herbeoordeling gedaan, maar geweigerd appellante een WAO toe te kennen. Daaraan ligt ten grondslag dat binnen vijf jaar na 26 maart 2011, geen periode is aan te wijzen waarin appellante gedurende vier weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als die aan de ingetrokken uitkering ten grondslag lag. Het tegen het besluit van 6 juni 2019 door appellante ingestelde beroep is bij uitspraak van 8 oktober 2020 door de rechtbank ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld, zodat het besluit van 6 juni 2019 in rechte vast staat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde informatie tijdig ter post is bezorgd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdig stukken ter post heeft bezorgd.

3.2.

Bij het verweerschrift heeft het Uwv verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

3.3.

Bij het faxbericht van 2 februari 2021 heeft het Uwv er op gewezen dat appellante gelet op het in rechte vaststaand besluit van 6 juni 2019, geen belang meer heeft om de hogerberoepsprocedure voort te zetten.

3.4.

Ter zitting is namens appellante aangevoerd dat het procesbelang van het hoger beroep gelegen is in de ingangsdatum van de uitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vastgesteld wordt dat bij het in rechte vaststaand besluit van 6 juni 2019 alsnog een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden over de vraag of binnen vijf jaar na intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 27 maart 2011 een periode is aan te wijzen waarin appellante gedurende vier weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering werd genoten als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO. Bij dat besluit is die vraag voor appellante ontkennend beantwoord.

4.2.

Aan de orde is of sprake is van voldoende procesbelang bij een uitspraak op het hoger beroep. Van voldoende procesbelang is sprake als het resultaat dat de indiener van het hogerberoepschrift met het indienen van het hoger beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Uit vaste rechtspraak volgt dat de bestuursrechter alleen is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:327). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874).

4.3.

Het procesbelang van appellante is komen te vervallen. Zij heeft immers met haar hier voorliggende aanvraag van 26 oktober 2017 verzocht om een (Amber-)herbeoordeling van haar recht op een WAO-uitkering als bedoeld in artikel 39a, eerste lid, van de WAO en heeft beoogd, zoals ook ter zitting is bevestigd, met het hoger beroep een inhoudelijke beoordeling van die aanvraag te krijgen. Met het besluit van 6 juni 2019 heeft zij alsnog de (afwijzende) beslissing gekregen op een inhoudelijke beoordeling over de gehele door artikel 39a, eerste lid, van de WAO bestreken periode van vijf jaar vanaf 27 maart 2011 en dat was wat zij kon bereiken met het hoger beroep. Dit betekent dat appellante geen in rechte te respecteren procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit hoger beroep.

4.4.

Het hoger beroep van appellante zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van L.R. Kokhuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) L.R. Kokhuis