Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
23-03-2021
Zaaknummer
19/3902 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekennen bijstand met toepassen kostendelersnorm. Geen commerciële relatie. Appellant heeft gezamenlijk hoofdverblijf met huisbaas, en twee andere medebewoners. Het college heeft bijstand verleend naar de kostendelersnorm. De feitelijke situatie, die doorslaggevend is, biedt geen aanknopingspunt om uit te gaan van een commerciële relatie tussen appellante en de huisbaas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3902 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 18 maart 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
26 juli 2019, 19/1244 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021. De zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen. Namens appellante heeft mr. De Jong deelgenomen en namens het college J. Hekelaar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 11 september 2018 heeft appellante zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Op 2 oktober 2018 heeft appellante een aanvraag ingediend. Appellante staat in de basisregistratie personen ingeschreven op adres X. Op adres X staan ook andere personen ingeschreven van 21 jaar of ouder, waaronder de verhuurder (huisbaas). Appellante heeft met de huisbaas een huurovereenkomst gesloten.

1.2.

Bij besluit van 19 oktober 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 februari 2019 (bestreden besluit), heeft het college aan appellante met ingang van 11 september 2018 bijstand toegekend naar de kostendelersnorm. Aan de besluitvorming ligt, voor zover van belang, ten grondslag dat, naast appellante en de huisbaas, ook de moeder en zoon van de huisbaas als kostendelende medebewoners hun hoofdverblijf hebben op adres X en dat geen sprake is van een commerciële relatie tussen appellante en haar huisbaas.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte de kostendelersnorm heeft toegepast.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 11 september 2018 tot en met 19 oktober 2018.

4.2.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de PW is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.

4.3.

Artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW bepaalt:

“In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft”.

4.4.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante erkend dat strikt genomen geen sprake is van een commerciële relatie tussen appellante en haar huisbaas. Zo wordt bijvoorbeeld niet betwist dat de huisbaas de boodschappen deed en kookte en appellante kon mee-eten, dat appellante gebruik kon maken van het hele huis, dat appellante een huurachterstand had die door de huisbaas werd geaccepteerd zolang appellante niet kon betalen en dat de huurprijs van € 300,- per maand niet werd geïndexeerd. Namens appellante wordt echter betoogd dat dit alles het gevolg is geweest van een eerder afgewezen aanvraag om bijstand. Om die reden beschikte appellante niet over inkomsten, waardoor slechts gedeeltelijk uitvoering kon worden gegeven aan de in de huurovereenkomst neergelegde afspraken. Niettemin is wel beoogd om tussen appellante en de huisbaas een commerciële huurrelatie tot stand te brengen.

4.5.

Voor zover appellante heeft bedoeld dat in haar geval toch moet worden uitgegaan van een situatie zoals bedoeld in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW treft dat betoog geen doel. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, is de feitelijke situatie namelijk doorslaggevend. Aangezien niet in geschil is dat er in de te beoordelen periode feitelijk geen sprake was van een zuivere commerciële relatie tussen appellante en de huisbaas, heeft het college terecht de kostendelersnorm toegepast.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2021.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) T. Ali