Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
18/557 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad kan de kritiek van Offermans in zijn rapporten van 13 september 2017 en 8 november 2018 op de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv volgen. In de rapporten van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) is te weinig waarde gehecht aan de informatie uit de behandelend sector over de pijnklachten van appellant. In het licht van die informatie is naar het oordeel van de Raad onvoldoende aannemelijk dat met de in de FML van 31 oktober 2016 neergelegde beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant, waarvoor blijkens de informatie van de behandelend specialisten een medisch substraat aanwezig is en die volgens deze specialisten rond de datum in geding ernstig invaliderend waren. Uit wat is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke grondslag. Dit besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv zal de FML van 31 oktober 2016 moeten heroverwegen met inachtneming van wat is overwogen. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien wat de eventuele aanpassing van de FML betekent voor de geschikt bevonden functies en de mate van arbeidsongeschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 557 WIA-T

Datum uitspraak: 17 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 december 2017, 17/1765 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[derde belanghebbende] B.V. (derde belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.T.A. Duijs hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werkgever is bijgestaan door mr. W.A.A. van Kuijk, advocaat.

Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 5 juni 1990 in dienst van [derde belanghebbende] B.V. (werkgever) en werkzaam als chauffeur en magazijnmedewerker. Op 21 september 2011 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Na het doorlopen van de wachttijd heeft het Uwv appellant met ingang van 18 september 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Nadat de werkgever bezwaar had gemaakt heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 20 maart 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% vastgesteld en de uitkering met ingang van 2 mei 2014 ingetrokken. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 27 november 2014 heeft het Uwv besloten dat de loongerelateerde uitkering op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA tot 18 november 2016 wordt uitbetaald.

1.2.

Bij besluit van 8 september 2016 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de WIAuitkering op 18 november 2016 eindigt. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en op 15 september 2016 en 15 november 20016 meldingen bij het Uwv gedaan van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

1.3.

Appellant is op 26 oktober 2016 gezien op het spreekuur van een arts van het Uwv. Deze heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 31 oktober 2016. Hij heeft appellant belastbaar geacht en heeft diens beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2016. In een aanvullend rapport van 21 november 2016 heeft deze arts geconcludeerd dat de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid van 15 november 2016 geen aanleiding vormt om zijn oordeel te wijzigen.

1.4.

Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis daarvan een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 27,34%. Bij besluit van 23 november 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 15 november 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de WIA-uitkering onveranderd eindigt per 18 november 2016.

1.5.

De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 8 september 2016 en 23 november 2016 heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 9 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 mei 2017 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 mei 2017.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat niet is gebleken dat de rapporten inconsistenties bevatten of dat het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het rapport van 13 september 2017 van de door appellant ingeschakelde verzekeringsarts H.M.Th. Offermans geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De beroepsgrond dat uit dit rapport blijkt dat de belastbaarheid van appellant als ernstig beperkt moet worden ingeschat en dat de verzekeringsartsen van het Uwv structureel geen rekening hebben gehouden met de informatie van chirurg R.M.H. Roumen, slaagt niet. Er is rekening gehouden met de diagnose Chronic Postoperative Inguinal Pain (CPIP). De rechtbank onderschrijft het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in diens reactie op het rapport van Offermans, dat het feit dat Roumen in de correspondentie het vóórkomen van ernstige, invaliderende, therapieresistente complicaties na een liesbreukoperatie noemt, algemene, niet op de situatie van appellant toegespitste informatie betreft. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht stelt, concludeert Roumen feitelijk niet anders dan dat appellant chronische pijn heeft. Ten aanzien van de pijnklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat appellant ten tijde van het onderzoek door de primaire arts geen pijnstillende medicatie kreeg voorgeschreven en dat dat al meer dan een jaar zo is. Naar aanleiding van de in beroep aangevoerde stelling dat appellant al injecties kreeg tegen de pijn, zodat er geen sprake was van pijnmedicatie via de apotheek, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit de overgelegde medische informatie blijkt dat deze injecties niet hielpen, maar dat desondanks geen aanvullende medicatie is voorgeschreven. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op goede gronden, juist omdat de klachten van appellant zo moeilijk objectiveerbaar zijn, de gebruikte pijnmedicatie heeft meegewogen in de beoordeling. Voor zover appellant stelt dat hij (zware) pijnstillende medicatie elders betrok, had het naar het oordeel van de rechtbank op zijn weg gelegen inzichtelijk te maken welke pijnmedicatie hij aanvullend op de gegeven injecties in het jaar voorafgaand aan de datum in geding kreeg. Nu hij dit heeft nagelaten, kon het Uwv daar ook geen rekening mee houden. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid voor arbeid van appellant onjuist heeft ingeschat. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om een deskundige te benoemen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat zijn belastbaarheid niet correct is vastgesteld. De kennelijk getrokken conclusie dat het met zijn pijnklachten zou meevallen nu hij geen medicatie kreeg toen injecties niet bleken te helpen, is te kort door de bocht. Hij kreeg deze injecties in een uiterste poging zijn pijnklachten behapbaar te doen maken nadat hij al diverse pijnmedicaties had geprobeerd. Appellant heeft een aanvullend rapport van Offermans van 8 november 2018 ingediend. Volgens Offermans is de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep Admiraal, dat er nauwelijks een objectiveerbaar somatisch substraat is voor de buikklachten, onjuist, gelet op de diagnose op 2 augustus 2016 van Roumen dat bij appellant sprake is van therapieresistente neuropathische CPIP. Ondanks de informatie van Roumen heeft de arts van het Uwv, Verwijst, ten onrechte gesteld dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten. Ook verzekeringsarts bezwaar en beroep Joosten heeft geen aandacht besteed aan de informatie van Roumen en spitst zich toe op het ontbreken van pijnstillende medicatie op het apotheekoverzicht. Verzekeringsarts bezwaar en beroep Admiraal stelt ten onrechte dat de brief van Roumen van 2 augustus 2016 slechts algemene, niet op appellant toegespitste informatie betreft. Roumen heeft bij appellant de diagnose CPIP gesteld en verwees ter nadere adstructie naar literatuurinformatie. Appellant heeft er op gewezen dat hem met ingang van 23 maart 2017 een WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100% is toegekend en met ingang van 5 maart 2019 een IVAuitkering. Het Uwv had hem ook van 18 november 2016 tot 23 maart 2017 een WIAuitkering moeten toekennen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en verwijst naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 augustus 2019, 2 januari 2020 en 29 juni 2020.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staat of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 18 november 2016 terecht heeft vastgesteld op 27,34%.

4.2.

De Raad kan de kritiek van Offermans in zijn rapporten van 13 september 2017 en 8 november 2018 op de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv volgen. In de rapporten van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) is te weinig waarde gehecht aan de informatie uit de behandelend sector over de pijnklachten van appellant. Uit deze informatie blijkt dat appellant na een liesbreuk in 2010 in de loop van de jaren hieraan meerdere keren is geopereerd, maar chronische en ernstige pijnklachten heeft gehouden waarbij pijnmedicatie en injecties niet hebben geholpen. Rond de datum in geding was appellant aangemeld bij het pijnteam in het Bravis Ziekenhuis Roosendaal voor evaluatie of een neurostimulator mogelijk was. Roumen beschrijft dit in zijn brief van 2 augustus 2016 als een last resort behandeloptie. Over de pijnklachten van appellant stelt Roumen in deze brief: “De pijn in de lies is inmiddels zijn voornaamste probleem, VAS 8. Het is een stekende pijn die toeneemt bij zittende houding en inspanning. Ook rechts heeft hij duidelijk neuropatische klachten, VAS 4. Zijn loopafstand is al met al beperkt tot 40m en hij mist voornamelijk dat hij geen leuke dingen kan doen met zijn kinderen en slecht slaapt door de pijnklachten”. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat Roumen, waar hij spreekt over ernstig invaliderende therapieresistente complicaties na een liesbreukoperatie, slechts algemene en niet op de persoon van appellant toegespitste informatie heeft gegeven. Ook anesthesioloog-pijnspecialist L. Elzinga, bij wie appellant sinds 14 september 2016 in behandeling was, concludeert in zijn brief van 9 januari 2017 dat bij appellant sprake is van postoperatieve ilioinguinalis neuralgie met forse invaliderende pijnklachten. Uit deze brief blijkt verder dat appellant op dat moment in een behandeltraject zat, waarbij gestart was met een injectie, dat op korte termijn een radiofrequente laesie zou worden uitgevoerd en dat appellant door Elzinga was aangeraden in de tussentijd te starten met paracetamol, oxycocon retard, amitriptyline en lyrica. Er was dus sprake van een advies van een pijnspecialist om pijnstillende medicatie te gebruiken. In het licht van deze informatie is naar het oordeel van de Raad onvoldoende aannemelijk dat met de in de FML van 31 oktober 2016 neergelegde beperkingen in voldoende mate rekening is gehouden met de pijnklachten van appellant, waarvoor blijkens de informatie van de behandelend specialisten een medisch substraat aanwezig is en die volgens deze specialisten rond de datum in geding ernstig invaliderend waren.

4.3.

Uit wat onder 4.2 is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een deugdelijke grondslag. Dit besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv zal de FML van 31 oktober 2016 moeten heroverwegen met inachtneming van wat in 4.2 is overwogen. Vervolgens zal het Uwv moeten bezien wat de eventuele aanpassing van de FML betekent voor de geschikt bevonden functies en de mate van arbeidsongeschiktheid.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op het gebrek in het besluit van 9 mei 2017 binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te herstellen.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021.

(getekend) E. Dijt

(getekend) A.L. Abdoellakhan