Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2021
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
19/203 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht teruggevorderd en ingevorderd. De vordering van het Uwv is op grond van artikel 3:60 van de Wajong een bevoorrechte (preferente) vordering. Het Uwv heeft bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit terecht de vorderingen van andere (concurrente) schuldeisers, in het geval van appellant de leningen die hij bij zijn ouders heeft afgesloten, buiten aanmerking heeft gelaten (vergelijk uitspraak ECLI:NL:CRVB:2020:1491). Geen aanknopingspunten om de behandeling van het beroep van appellant door de rechtbank onzorgvuldig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 203 WAJONG

Datum uitspraak: 15 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 november 2018, 18/575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam vader] , vader van appellant, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Appellant heeft op 2 februari 2021 laten weten dat wat hem betreft de zitting geen doorgang kan vinden, omdat zijn brief van 2 mei 2020 aan de Raad niet was beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

Op 9 en 27 februari 2021 heeft appellant nadere stukken ingediend.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant, geboren op [geboortedatum] 1986, is met ingang van [geboortedatum] 2005 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) toegekend.

1.2.

Bij besluit van 15 augustus 2017 (primair besluit 1) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant in de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juni 2017 een voorschot aan Wajonguitkering heeft ontvangen dat hoger is dan de uitkering waar hij recht op heeft. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellant in deze periode werkzaamheden heeft verricht. Bij de vaststelling van de hoogte van de Wajong-uitkering is geen rekening gehouden met de inkomsten uit die werkzaamheden. In verband hiermee heeft het Uwv de hoogte van de uitbetaling van de uitkering aangepast (anticumulatie). Daarnaast is een bedrag van in totaal € 7.192,25 bruto aan onverschuldigd betaalde Wajong-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 23 augustus 2017 (primair besluit 2) heeft het Uwv dit bedrag van € 7.192,25 bruto (€ 5.646,48 netto) ingevorderd.

1.4.

Bij besluit van 26 oktober 2017 (primair besluit 3) heeft het Uwv appellant gemaand om een bedrag van € 5.661,48 netto te betalen. Dit bedrag is inclusief € 15,- voor de kosten van de aanmaning.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 19 december 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat hoewel er geen sprake is geweest van een uitbetaling van de uitkering op voorschotbasis in de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 juli 2017, de anticumulatie en terugvordering juist zijn vastgesteld.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 2 februari 2018 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar tegen primair besluit 2 gegrond verklaard en dat besluit herroepen, omdat dit besluit inmiddels was ingetrokken door primair besluit 3. Het bezwaar tegen primair besluit 3 heeft het Uwv niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen een aanmaning geen bezwaar kan worden ingesteld.

1.7.

Bij besluit van 19 februari 2018 heeft het Uwv medegedeeld dat per maand € 104,61 zal worden ingehouden op de Wajong-uitkering van appellant.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen gronden zijn aangevoerd tegen de anticumulatie van de Wajong-uitkering of de berekening daarvan. De rechtbank heeft daarom als uitgangspunt genomen dat het Uwv terecht de uitbetaling van de Wajong-uitkering heeft aangepast nu er geen rekening was gehouden met de ontvangen inkomsten. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv verplicht is om ten onrechte ontvangen Wajong-uitkering terug te vorderen. De omstandigheden die appellant heeft aangedragen, zijn geen dringende redenen om af te zien van terugvordering. Uit het dossier komt naar voren dat het appellant duidelijk had moeten zijn dat inkomsten uit werk gevolgen zouden hebben voor de Wajong-uitkering. Het Uwv heeft niet aan appellant te kennen gegeven dat er niet terugbetaald zou hoeven te worden. De omstandigheid dat het Uwv in de ogen van appellant niet tijdig en correct heeft gereageerd kan niet zo worden uitgelegd dat het Uwv van terugvordering afziet.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard. De rechtbank heeft bestreden besluit 2 vernietigd, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 augustus 2017 ongegrond verklaard en bepaald dat de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 2. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven voor vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ten onrechte heeft gesteld dat primair besluit 2 is ingetrokken, nu er bij de stukken geen brief, beslissing of telefoonnotitie van deze strekking zit. Nu het Uwv in bestreden besluit 2 ten onrechte niet heeft beslist op het bezwaar van appellant tegen primair besluit 2, heeft bestreden besluit 2 naar het oordeel van de rechtbank een motiveringsgebrek en komt het voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij zelf in de zaak kan voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaren van appellant tegen de invordering niet leiden tot het oordeel dat het Uwv een onjuiste maandelijkse terugbetalingsverplichting heeft vastgesteld in het besluit van 19 februari 2018 waarin is medegedeeld dat per maand € 104,61 zal worden ingehouden op de Wajong-uitkering van appellant. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat deze berekening in overeenstemming is met de regels. Het Uwv is dan ook terecht tot invordering overgegaan en heeft het maandelijks in te vorderen bedrag op € 104,61 kunnen bepalen. Primair besluit 2 kan daarom in stand blijven en het bezwaar van appellant tegen dit besluit is ongegrond.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet duidelijk is nu het beroep ten dele ongegrond en ten dele gegrond is verklaard. Daarnaast vindt appellant dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met de gehoorhandicap van zijn gemachtigde, waardoor zijn gemachtigde weinig van de zitting heeft meegekregen. Verder heeft appellant verwezen naar overeenkomsten van geldlening om te benadrukken dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn financiële situatie. Tot slot heeft appellant opmerkingen gemaakt over de bejegening door het Uwv.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft appellant aangevoerd dat hij het er niet mee eens is dat de zitting van 4 februari 2021 is doorgegaan, omdat hij nu geen verweer heeft kunnen voeren. De Raad ziet hierin geen aanleiding het onderzoek te heropenen. In reactie op de mededeling van appellant van 2 februari 2021 dat wat hem betreft de zitting niet kan doorgaan, heeft de Raad op 3 februari 2021 laten weten dat de zitting op 4 februari 2021 doorgang zou vinden. Appellant is daarmee de gelegenheid geboden zijn standpunt toe te lichten op een zitting. Appellant heeft er zelf voor gekozen daar geen gebruik van te maken.

4.2.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 6 september 2018 komt naar voren dat beide partijen over en weer inhoudelijk zijn ingegaan op de geschilpunten. Hieruit blijkt niet dat gemachtigde van appellant door zijn gehoorhandicap belemmerd is geweest in het vertegenwoordigen van appellant. De gemachtigde heeft voor de zitting geen schriftelijke melding gedaan van zijn handicap en uit het proces-verbaal blijkt niet dat de gemachtigde tijdens de zitting aandacht heeft gevraagd voor zijn handicap. De gemachtigde heeft in hoger beroep niet toegelicht op welke wijze hij is belemmerd in het vertegenwoordigen van appellant en welke gevolgen dit heeft gehad voor de overwegingen van de rechtbank. Er zijn daarom geen aanknopingspunten om de behandeling van het beroep van appellant door de rechtbank onzorgvuldig te achten.

4.3.

De vordering van het Uwv is op grond van artikel 3:60 van de Wajong een bevoorrechte (preferente) vordering. Dit betekent dat bij het bepalen van de rangorde van vorderingen de schuld van het Uwv eerst komt en dus ook eerst moet worden voldaan. Gelet hierop wordt met de rechtbank overwogen dat het Uwv bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit terecht de vorderingen van andere (concurrente) schuldeisers, in het geval van appellant de leningen die hij bij zijn ouders heeft afgesloten, buiten aanmerking heeft gelaten (vergelijk de uitspraak van de Raad van 15 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1491).

4.4.

Voor wat betreft de begrijpelijkheid van de aangevallen uitspraak wordt overwogen dat niet is gebleken dat de beslissing van de rechtbank niet in overeenstemming is met de artikelen 8:70 en 8:72 van de Awb. De beslissing berust ook op de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Dat de uitspraak van de rechtbank voor appellant moeilijk is te begrijpen, is niet voldoende om deze uitspraak onjuist te achten.

4.5.

De opmerkingen van appellant over de bejegening door het Uwv kunnen in deze hogerberoepsprocedure niet aan de orde komen. Deze procedure ziet op de juistheid van de aangevallen uitspraak. Bij klachten over de wijze van bejegening door het Uwv kan appellant gebruik maken van de klachtenprocedure bij het Uwv. Uit het dossier blijkt dat hij deze weg eerder heeft weten te vinden.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van

G.S.M. van Duinkerken als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

15 maart 2021.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) G.S.M. van Duinkerken