Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:58

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
14-01-2021
Zaaknummer
19/5425 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd, en in hoger beroep is herhaald, in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. In artikel 11.5, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft de wetgever het begrip toetsingsinkomen uitdrukkelijk uitgezonderd van de toepassing van de hardheidsclausule. Dat betekent dat het de minister bij de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen niet vrij staat uit te gaan van een andere berekeningsmaatstaf dan het toetsingsinkomen. Het laat ook geen andere conclusie toe dan dat indien het toetsingsinkomen (nog) niet bekend is, het de minister niet vrij staat uit te gaan van een ander bedrag dan het bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert. Persoonlijke omstandigheden die hebben bijgedragen aan de hoogte van de studieschuld zijn niet van betekenis voor de vaststelling van de terugbetalingsverplichting gedurende de aflosfase. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5425 WSF

Datum uitspraak: 13 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 november 2019, 19/3892 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gedeeltelijk door middel van beeldbellen, plaatsgevonden op 23 december 2020. Aan de zitting hebben deelgenomen appellant en, namens de minister, mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 13 december 2018 heeft de minister de draagkracht van appellant in verband met het aflossen van zijn studieschuld berekend en vastgesteld dat appellant in 2019 maandelijks een bedrag van € 289,66 moet terugbetalen. Bij de berekening is de minister uitgegaan van een inkomen van appellant in Denemarken over 2017 van, omgerekend, € 29.748.

1.2.

Bij besluit van 15 mei 2019 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 december 2018 ongegrond verklaard. De minister heeft te kennen gegeven dat de omrekening van een buitenlands inkomen naar een vergelijkbaar Nederlands inkomen plaatsvindt met gebruikmaking van de officiële gemiddelde wisselkoers over het betreffende jaar, zoals gepubliceerd op de website van De Nederlandsche Bank. Nu de wetgever uitdrukkelijk gekozen heeft voor het toetsingsinkomen als maatstaf voor de berekening van de draagkracht en niet voor het besteedbaar inkomen, kan geen rekening worden gehouden met de omstandigheid dat appellant, zoals hij stelt, het vastgestelde bedrag niet kan betalen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de minister het termijnbedrag in overeenstemming met artikel 10a.8 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft berekend. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5150 heeft de rechtbank verder overwogen dat de wetgever blijkens de bepalingen en de ontstaansgeschiedenis van de Wsf 2000 er nadrukkelijk niet voor heeft gekozen dat bij het vaststellen van de draagkracht rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen of de hoogte van het individuele uitgavenpatroon van de debiteur. Het is niet mogelijk van het begrip toetsingsinkomen af te wijken, noch is er aanleiding om op grond van de overige door appellant aangevoerde omstandigheden het bestreden besluit te vernietigen. Van handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de minister is niet gebleken.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de in beroep en hoger beroep aangevoerde feiten en omstandigheden reden vormen om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van het toetsingsinkomen als maatstaf voor de berekening van de draagkracht.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is grotendeels een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft wat in beroep is aangevoerd, en in hoger beroep is herhaald, in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom die gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft op hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.

4.2.

In artikel 11.5, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft de wetgever het begrip toetsingsinkomen uitdrukkelijk uitgezonderd van de toepassing van de hardheidsclausule. Dat betekent dat het de minister bij de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen niet vrij staat uit te gaan van een andere berekeningsmaatstaf dan het toetsingsinkomen. Het laat ook geen andere conclusie toe dan dat indien het toetsingsinkomen (nog) niet bekend is, het de minister niet vrij staat uit te gaan van een ander bedrag dan het bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen benadert. Ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen moet de Raad recht spreken volgens de wet en mag hij de innerlijke waarde en de billijkheid van de wet niet beoordelen.

4.3.

Persoonlijke omstandigheden die hebben bijgedragen aan de hoogte van de studieschuld zijn niet van betekenis voor de vaststelling van de terugbetalingsverplichting gedurende de aflosfase. In hetgeen appellant verder naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen zeer bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot de vaststelling van een lagere terugbetalingsverplichting in afwijking van de wet. Het feit dat de minister een betalingsregeling heeft voorgesteld voor achterstallige termijnen, doet niet af aan het bestaan en de hoogte van de terugbetalingsverplichting.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2021.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) E.M. Welling