Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
19/3810 WIA-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant tegelijk ziekengeld van zijn werkgever en een WW-uitkering van het Uwv heeft ontvangen. Beiden uitkeringen zijn gebaseerd op dezelfde dienstbetrekking en het loon uit die dienstbetrekking. Gelet op de hoogte van het bedrag dat appellant ontving, moest voor hem duidelijk zijn dat dit niet juist was. Het onderdeel van het AIB waar appellant naar heeft verwezen is in dit geval niet van toepassing, omdat dit ziet op uitkeringen uit verschillende dienstbetrekkingen. De zesmaandenjurisprudentie is alleen van toepassing waar het gaat om een bevoegdheid om terug te vorderen. Hier is echter sprake van een verplichte terugvordering. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3810 WIA-PV, 19/2862 WW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2019, 19/263 (aangevallen uitspraak 1) en 21 mei 2019, 18/6187 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 4 maart 2021

Zitting heeft: A.I. van der Kris

Griffier: V.M. Candelaria

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 4 maart 2021. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 4 december 2018 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit heeft betrekking op de gewijzigde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 juni 2018 op 72,21%. Deze wijziging had op dat moment geen gevolgen voor de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen van appellant onvoldoende heeft onderkend, zodat het Uwv zich niet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 november 2018 had mogen baseren. Daarnaast heeft appellant gesteld dat een beperking voor vervoer had moeten worden aangenomen, gelet op wat in het rapport van de arts van het Uwv van 6 juni 2018 staat vermeld. Tevens heeft appellant aangevoerd dat hij niet voldoet aan de ervaringseis.

Deze gronden slagen niet. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de daaruit getrokken conclusie. Appellant heeft niet concreet gemaakt wat aan het medisch onderzoek zou schorten. De opmerking over vervoer in het rapport van de arts van het Uwv is opgetekend uit de mond van appellant zelf en betreft geen standpunt van de arts zelf. In de stukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor een beperking ten aanzien van vervoer. Appellant heeft ook niet toegelicht waarom hij volgens hem beperkt is op dit punt en appellant heeft evenmin stukken van de behandelend sector overgelegd waaruit dit blijkt. In dit verband wordt verwezen naar wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierover heeft gezegd in het rapport van 23 november 2018. Voor zover appellant met zijn opmerking in hoger beroep over het niet voldoen aan de ervaringseis heeft bedoeld te herhalen wat hij hierover in bezwaar heeft aangevoerd, wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 december 2018.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 31 augustus 2018 ongegrond verklaard. Dit bestreden besluit heeft betrekking op de intrekking van de uitkering van appellant op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de Toeslagenwet over de periode 6 april 2015 tot en met 26 maart 2017 en de terugvordering van het over die periode ten onrechte betaalde. Dat had te maken met het feit dat appellant in die periode ziek was en in de genoemde periode in verband daarmee ook ziekengeld heeft ontvangen.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij teveel uitkering ontving. In dat verband heeft appellant aangevoerd dat het wel degelijk mogelijk is om tegelijk ziekengeld en een WW-uitkering te ontvangen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar het Algemeen inkomstenbesluit socialezekerheidswetten (AIB). Appellant is van mening dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Voor zover appellant toch zou kunnen worden verweten dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, heeft appellant een beroep gedaan op de zesmaandenjurisprudentie.

Deze gronden slagen niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant tegelijk ziekengeld van zijn werkgever en een WW-uitkering van het Uwv heeft ontvangen. Beiden uitkeringen zijn gebaseerd op dezelfde dienstbetrekking en het loon uit die dienstbetrekking. Gelet op de hoogte van het bedrag dat appellant ontving, moest voor hem duidelijk zijn dat dit niet juist was. Het onderdeel van het AIB waar appellant naar heeft verwezen is in dit geval niet van toepassing, omdat dit ziet op uitkeringen uit verschillende dienstbetrekkingen. De zesmaandenjurisprudentie is alleen van toepassing waar het gaat om een bevoegdheid om terug te vorderen. Hier is echter sprake van een verplichte terugvordering.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) V.M. Candelaria (getekend) A.I. van der Kris

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de Centrale Raad van Beroep