Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
20/2075 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag terecht gegeven wegens toerekenbaar plichtsverzuim van ontvreemding van geld van de gemeente. Het beroep van appellante op de onschuldpresumptie slaagt niet en er is derhalve geen sprake van schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Ontslag is niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/210
NJB 2021/932
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 2075 AW

Datum uitspraak: 11 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2020, 18/6911 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.P. Hofkes een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Hofkes, L.J.G. Hoppenbrouwer en M.M.A. Tittse.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen vóór 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat vóór 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2020.

1.2.

Appellante was vanaf 1 juni 2006 werkzaam bij de gemeente Rijswijk, laatstelijk in de functie van [functie].

1.3.

Op 21 december 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met appellante. Aanleiding voor het gesprek was de melding van een collega dat een afwijkende betaling had plaatsgevonden, waarbij appellante de werkinstructies niet had gevolgd.

1.4.

In opdracht van het college heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (Hoffmann) een onderzoek uitgevoerd. Het college heeft parallel aan het onderzoek van Hoffmann een eigen onderzoek verricht.

1.5.

Op 6 maart 2018 heeft het college bij de politie aangifte gedaan tegen appellante vanwege het verduisteren van geld.

1.6.

Bij besluit van 10 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 september 2018 (bestreden besluit), heeft het college appellante met toepassing van artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd. Hieraan heeft het college (samengevat) ten grondslag gelegd dat appellante zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd door over de jaren 2012 tot en met 2017 stelselmatig geld van de gemeente te ontvreemden dan wel te verduisteren en onbevoegd twee parkeervergunningen te verstrekken aan een bedrijf.

2.1.

Bij tussenuitspraak van 26 juli 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden in bezwaar en dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Het college heeft naar aanleiding daarvan bij brief van 24 september 2019 een nadere motivering op het bestreden besluit gegeven en daarbij de bevindingen van het eigen, interne onderzoek overgelegd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met in stand lating van de rechtsgevolgen daarvan.

3. Op 18 januari 2021 heeft de officier van justitie aan het college bericht dat niet genoeg (wettig en overtuigend) bewijs voorhanden is om een strafzaak tegen appellante te beginnen.

4. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussenuitspraak

5.1.

Appellante stelt dat de rechtbank is teruggekomen van een in haar tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven oordeel. Dit betoog slaagt niet. Zoals uit 2.1 volgt, heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak geen inhoudelijk oordeel gegeven over de vraag of appellante de aan haar verweten gedragingen heeft begaan.

Onschuldpresumptie

5.2.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie de zaak tegen haar heeft geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. De Raad begrijpt de beroepsgrond van appellante zo dat zij aanvoert dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van die bepaling wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Deze onschuldpresumptie brengt volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (bijvoorbeeld het arrest van 12 juli 2013 in de zaak Allen tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409, punten 92 tot en met 104) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een latere bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvan hij is vrijgesproken. Voor een geslaagd beroep op dit aspect van de onschuldpresumptie dient de betrokkene te stellen en te bewijzen dat een voldoende verband (‘link’) bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en de latere bejegening door een bestuurlijke autoriteit of de latere gerechtelijke procedure. Het hiervoor bedoelde verband met artikel 6, tweede lid, van het EVRM is niet beperkt tot de situatie waarin de strafrechtelijke procedure is geëindigd in een vrijspraak, maar kan ook aan de orde zijn indien de strafrechtelijke procedure is geëindigd in een sepot. Indien een dergelijk verband is vastgesteld, is het volgende van belang. De rechterlijke en andere autoriteiten dienen door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel te doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak dan wel het sepot waarmee de strafrechtelijke procedure is geëindigd. Daarbij is tevens van belang dat de autoriteiten zich dienen te onthouden van strafrechtelijke karakterisering van de gedragingen van de betrokkene en hun eigen forum niet te buiten gaan (vergelijk de uitspraak van 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1777).

5.3.

In de onderhavige situatie is sprake van een voldoende verband (‘link’) tussen de strafrechtelijke procedure en de voorliggende procedure over het bestreden besluit, aangezien het sepot van 18 januari 2021, anders dan het college ter zitting heeft gesteld, is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als dat wat heeft geleid tot het bestreden besluit.

5.4.

De beslissing van de officier van justitie om af te zien van vervolging is tot stand gekomen op basis van het strafrechtelijk onderzoek. Ter toelichting op de beslissing is het volgende vermeld: “Naar aanleiding van uw aangifte heeft de politie onderzoek gedaan. In dit onderzoek zijn er onder andere diverse getuigen gehoord, maar dat heeft onvoldoende bewijs opgeleverd voor de betrokkenheid van verdachte bij de verduistering. Nu ander bewijs ontbreekt, zal de zaak worden geseponeerd.”

5.5.

Uit het sepot is niet op te maken wat de redenen voor de officier van justitie zijn geweest om in het geval van appellante over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. In het algemeen geldt dat de officier van justitie om verschillende redenen tot een sepot kan besluiten. Dat het in dit geval zou kunnen gaan om bewijsproblemen bij het strafrechtelijk vereiste van ‘opzet’ is niet uit te sluiten. In dit verband is tevens van belang dat in de bestuursrechtelijke procedure minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Voor een besluit tot strafontslag is slechts vereist dat aannemelijk is dat appellante geld van de gemeente heeft ontvreemd waaraan enige mate van twijfel, anders dan in het strafrecht, niet in de weg hoeft te staan. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat onder deze omstandigheden het beroep van appellante op de onschuldpresumptie niet slaagt en dat derhalve geen sprake is van schending van artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

Plichtsverzuim

5.6.

In artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald, voor zover hier van belang, dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dat artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 8:13 van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag worden opgelegd.

5.7.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire straf aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

5.8.

Appellante wordt verweten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim door geld van de gemeente te ontvreemden door het te doen voorkomen dat retourbetalingen hebben plaatsgevonden en onbevoegd twee parkeervergunningen af te geven.

5.9.

Uit het door Hoffmann verrichte onderzoek blijkt dat op verschillende zogenoemde baliebonnen niet alle vereiste handtekeningen aanwezig waren, appellante de ingelogde medewerker bij het printen van de bonnen was, de betreffende kassabon gedateerd was op dezelfde datum als de baliebon en door de betreffende burger is verklaard dat geen terugbetaling is ontvangen, terwijl dit niet tot een kasverschil heeft geleid. Dit leidt tot de conclusie dat appellante het op de baliebon vermelde bedrag heeft ontvreemd. Appellante heeft geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat geen kasverschil is opgetreden. De Raad heeft aldus de overtuiging gekregen dat appellante de haar verweten gedraging van ontvreemding van geld van de gemeente heeft begaan. Voor het verwijt dat appellante onbevoegd twee parkeervergunningen heeft afgegeven, verwijst de Raad naar overweging 5.12.

5.10.

Het plichtsverzuim van ontvreemding van geld van de gemeente kan appellante worden toegerekend. Het college was dan ook bevoegd appellante een disciplinaire straf op te leggen.


Strafontslag

5.11.

De disciplinaire straf van ontslag is, gezien de ernst en aard van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren van appellante binnen de gemeente en de terecht door het college gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan ambtenaren, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Appellante heeft door haar gedrag het in haar te stellen vertrouwen in ernstige mate geschonden en aldus aan het eigen aanzien en aan dat van de gemeente schade toegebracht. Het lange dienstverband van appellante en de nadelige (financiële) gevolgen van het strafontslag voor appellante leggen daartegenover onvoldoende gewicht in de schaal.

Conclusie / Slotopmerkingen

5.12.

Het hiervoor onder 5.10 vastgestelde plichtsverzuim kan op zichzelf al de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag dragen. Dit betekent dat de vraag of appellante onbevoegd twee parkeervergunningen heeft afgegeven geen bespreking behoeft.

5.13.

Uit 5.1 tot en met 5.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en H. Lagas en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van M.E van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2021.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) M.E. van Donk