Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:558

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
19/5214 WAZO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAZO-uitkering terecht ingetrokken. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv met de gegevens uit de ingestelde onderzoeken, neergelegd in het onderzoeksrapport, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet heeft gewerkt bij de B.V. en dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. De door appellante overgelegde stukken zijn niet objectiveerbaar en verifieerbaar en zijn dan ook onvoldoende voor de conclusie dat appellante toch werkzaam is geweest in een dienstverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5214 WAZO

Datum uitspraak: 11 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2019, 19/564 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Grijpstra, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, alsmede stukken en nadere reacties.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar partner [naam A] , tolk D.V. Dimitrova en mr. Grijpstra. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 23 november 2017 heeft [naam B.V. 1] B.V. een uitkering grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) aangevraagd voor appellante. Bij besluit van 2 maart 2018 heeft het Uwv aan appellante per 5 december 2017 een uitkering op grond van de WAZO toegekend. [naam aandeelhouder/bestuurder] was van 7 maart 2017 tot 6 juli 2018 enig aandeelhouder en bestuurder van [naam B.V. 1] B.V. Per 6 juli 2018 is [naam bestuurder] bestuurder.

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding heeft het Uwv onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellante betaalde uitkering. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 26 juli 2018. In dit rapport is op basis van de verkregen onderzoeksgegevens geconcludeerd dat appellante nooit werkzaam is geweest voor [naam B.V. 1] B.V. en daarom niet verzekerd is geweest voor de WAZO.

1.3.

Na afronding van het onderzoek heeft het Uwv op basis van de bevindingen bij besluit van 6 augustus 2018 de uitkering op grond van de WAZO ingetrokken per 5 december 2017. Bij beslissing op bezwaar van 19 november 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 augustus 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante niet werkzaam is geweest voor [naam B.V. 1] B.V. en daarom niet als werknemer verzekerd is geweest voor de WAZO.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake is geweest van een dienstverband. Daarbij is voor de rechtbank van belang dat het Uwv uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het dienstverband, waarbij (onder andere) de arbeidsovereenkomst, salarisspecificaties, urenlijst en rekeningoverzichten zijn opgevraagd, gesprekken hebben plaatsgevonden met appellante en met verschillende getuigen en locatiebezoeken zijn afgelegd. Met dit onderzoek is geen duidelijkheid verkregen over de afspraken die tussen appellante en [naam B.V. 1] B.V. zijn gemaakt, de uitvoering van de werkzaamheden, de periode waarin is gewerkt en de salarisbetalingen. Over deze punten is door de betrokkenen tegenstrijdig verklaard en hun verklaringen vinden geen steun in de gedingstukken. Volgens de rechtbank is appellante er niet in geslaagd aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat sprake was van een dienstverband. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een dienstverband tussen appellante en [naam B.V. 1] B.V., dat appellante daarom niet kon worden aangemerkt als werkneemster en om die reden geen recht had op een WAZO-uitkering en dat het Uwv terecht is overgegaan tot intrekking van de WAZO-uitkering.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij niet gehouden kan worden aan de door haar op 25 juni 2018 tegenover onderzoeker [onderzoeker X] ( [X] ) afgelegde verklaring. Zij heeft verder benadrukt dat sprake is van een belastend besluit en heeft gesteld dat het Uwv geen feiten heeft aangedragen op basis waarvan aannemelijk is dat geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen haar en [naam B.V. 1] B.V. Onder overlegging van diverse producties heeft appellante gesteld dat, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, wel duidelijkheid is verkregen over de afspraken die tussen appellante en [naam B.V. 1] B.V. zijn gemaakt, over de uitvoering van de werkzaamheden, de periode waarin is gewerkt en de salarisbetalingen. Voorts heeft appellante, mede onder verwijzing naar de door haar ingediende producties, gesteld dat zij in ieder geval op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk heeft gemaakt dat wel sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen haar en [naam B.V. 1] B.V.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of tussen appellante en [naam B.V. 1] B.V. sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking op grond waarvan appellante verzekerd was voor de WAZO.

4.2.

Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

Bij de vraag of een arbeidsverhouding aangemerkt kan worden als een arbeidsovereenkomst dient eerst aan de hand van de Haviltexmaatstaf te worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen (uitleg). Daarna dient beoordeeld te worden of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (kwalificatie), waarbij de bedoeling van partijen geen rol speelt (zie HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746).

4.3.

Bij een belastend besluit als hier aan de orde is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en [naam B.V. 1] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de werknemersverzekeringen heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.4.

Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel groot gewicht toe aan rapporten als in geding. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Raad ook voor de eerste verklaring(en) die tegenover opsporingsambtenaren zijn afgelegd (zie de uitspraak van de Raad van 1 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0957). In het algemeen komt aan het achteraf, wanneer een betrokkene gewaar is geworden waar zijn belang ligt, intrekken van een dergelijke verklaring minder betekenis toe. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als degene die de verklaring heeft afgelegd met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat de betreffende verklaring niet juist kan zijn (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1100).

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv met de gegevens uit de ingestelde onderzoeken, neergelegd in het onderzoeksrapport, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante niet heeft gewerkt bij [naam B.V. 1] B.V. en dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. De rechtbank heeft de verschillende onderzoeksbevindingen die daarvoor van belang zijn besproken en gemotiveerd uiteengezet hoe tot het oordeel wordt gekomen dat het standpunt van het Uwv in die onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag vindt. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.

4.6.

Ook met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante er niet in is geslaagd aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens de onjuistheid van het standpunt van het Uwv aannemelijk te maken. Het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt, naar aanleiding van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat (wel) sprake was van een dienstverband, het volgende toegevoegd.

4.6.1.

Onder verwijzing naar de in 4.4 genoemde rechtspraak wordt appellante gehouden aan de door haar op 25 juni 2018, in aanwezigheid van iemand die optrad als tolk Bulgaars, tegenover [X] afgelegde, en door haar ondertekende, verklaring. Appellante heeft niet met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de betreffende verklaring niet juist kan zijn. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante, zoals zij onder meer heeft gesteld, in verband met de verstreken tijd geen goede herinnering had aan de plaatsen waar zij heeft gewerkt. In dat kader wordt erop gewezen dat de verklaring is afgelegd slechts zes maanden nadat zij zou zijn gestopt met haar werkzaamheden bij [naam B.V. 1] B.V. en zij daarna geen andere werkzaamheden heeft verricht. Ook voor het, ter zitting van de Raad ingenomen, standpunt dat [X] in de verklaring 25 juni 2018 slechts die passages van het gesprek heeft opgenomen die in zijn straatje pasten, worden geen aanknopingspunten gevonden.

4.6.2.

Uitgangspunt is dus wat appellante op 25 juni 2018 tegenover [X] heeft verklaard. De verklaring van appellante over onder meer het werk dat zij verrichtte, tot wanneer zij heeft gewerkt, het salaris over de maanden november 2017 en december 2017, waar zij haar werkzaamheden verrichtte ( [plaatsnaam 1] ), haar arbeidspatroon (overdag) en dat zij gebruik maakte van een auto van [naam B.V. 1] B.V. strookt op essentiële punten niet met diverse stukken en verklaringen van onder andere [naam aandeelhouder/bestuurder] , officemanager [naam officemanager] en de eigenaar en enkele medewerkers van [naam bedrijf 1] . Appellante heeft in hoger beroep voor deze discrepanties diverse verklaringen gegeven die evenwel niet onderbouwd zijn door objectieve en verifieerbare gegevens, en dus niet kunnen gelden als tegenbewijs. Voor de juistheid van de gegeven verklaringen dat de eigenaar van [naam bedrijf 1] op het verkeerde been zou zijn gezet door [X] , dat [naam bedrijf 1] zich probeerde in te dekken, dat appellante ook enige woorden Turks spreekt zodat zij de werkster kan zijn die bij [naam bedrijf 1] is geduid als de daar werkzame Turkse dame, appellante geen speciaal herinneringsvermogen heeft voor gebouwen, in de veronderstelling verkeerde dat [naam bedrijf 1] te [plaatsnaam 2] gelegen was in een buitenwijk van [plaatsnaam 1] en dat de vermelding “0” op de door [naam aandeelhouder/bestuurder] verstrekte urenlijsten staat voor nog niet ingevulde gewerkte uren, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden. Ook voor het periodiek verrichten van een groot aantal uren schoonmaakwerkzaamheden in een zeer beperkte ruimte is geen afdoende verklaring gegeven.

4.6.3.

Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is geweest van een dienstverband met [naam B.V. 1] B.V. heeft appellante in hoger beroep diverse stukken overgelegd. Het betreft van de accountmanager [naam accountmanager] van [naam bedrijf 2] ontvangen facturen van [naam B.V. 1] B.V. aan [naam B.V. 2] B.V. over de periode van 1 september 2017 tot en met eind december 2017, van de nieuwe eigenaar van [naam B.V. 1] B.V. ( [naam bestuurder] ) ontvangen betalingsbewijzen van voornoemde facturen, en van [naam bestuurder] ontvangen salarisspecificaties over de maanden november 2017 en december 2017. Op deze salarisspecificaties staat een stempel van [naam B.V. 1] B.V., een aantekening ‘ontvangen per kas’ alsmede twee handtekeningen waaronder die van appellante. De door appellante overgelegde stukken zijn niet objectiveerbaar en verifieerbaar en zijn dan ook onvoldoende voor de conclusie dat appellante toch werkzaam is geweest in een dienstverband. Wat betreft de facturen en betalingsbewijzen wordt overwogen dat deze, zoals het Uwv terecht heeft gesteld, niet zijn te koppelen aan door appellante via [naam B.V. 1] B.V. bij [naam B.V. 2] verrichte werkzaamheden. De enkele mededeling van 4 december 2020 van [naam accountmanager] dat deze facturen betrekking hebben op de door appellante verrichte werkzaamheden is daartoe volstrekt onvoldoende. Wat betreft de overgelegde salarisspecificaties is van belang dat namens appellante ter zitting van de Raad is verklaard dat de aantekening ‘ontvangen per kas’ en de handtekeningen later op de salarisspecificaties zijn geplaatst, en dat de tweede handtekening is van de nieuwe eigenaar [naam bestuurder] . Mede gelet op het feit dat [naam bestuurder] [naam B.V. 1] B.V. per 6 juli 2018 heeft overgenomen van [naam aandeelhouder/bestuurder] , dus na de periode in geding, kunnen deze salarisspecificaties niet gelden als (tegen)bewijs dat appellante haar salaris over de maanden november 2017 en december 2017 feitelijk contant heeft ontvangen.

4.7.

Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2021.

(getekend) J. Brand

(getekend) A.L.K Dagmar

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.