Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2021:551

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
18/2624 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd ZW-uitkering toe te kennen. Voldoende medische grondslag. Terecht geweigerd WAO-uitkering toe te kennen, wegens niet voltooien wachttijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2624 WAO, 18/2625 ZW

Datum uitspraak: 12 maart 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2018, 16/5221 (aangevallen uitspraak 1) en 17/928 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere stukken overgelegd. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 29 januari 2021. Appellant is, via videobellen, verschenen en bijgestaan door mr. Bol. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als boekhouder/administratief medewerker gedurende 40 uur per week. Hij heeft zich met ingang van 23 september 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziekgemeld met beenklachten en psychische klachten. Op 10 februari 2003 heeft appellant het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 10 februari 2003 geschikt is voor zijn laatst verrichte werk. Bij besluit van 10 februari 2003 heeft het Uwv het recht op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 10 februari 2003 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 juli 2004 heeft de rechtbank Amsterdam het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

1.2.

Bij brief van 26 april 2006 heeft appellant het Uwv verzocht om herziening van het besluit van 10 februari 2003. Volgens appellant is er sprake van agorafobie en gebruikte hij een magistraal drankje/receptuur wat zeer verslavend was. Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 mei 2007 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door appellant ingetrokken.

1.3.

Bij brief van 5 september 2012 heeft appellant het Uwv wederom verzocht om herziening van het besluit van 10 februari 2003. Appellant stelt dat hij lijdt aan een ernstige vorm van agorafobie. Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontleende grond dat appellant bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 januari 2013 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen dit besluit is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 27 september 2013 ongegrond verklaard. Die uitspraak heeft de Raad bij uitspraak van 16 december 2015 bevestigd (ECLI:NL:CRVB:2015:4664).

1.4.

Bij brief van 19 juni 2013 heeft appellant het Uwv nogmaals verzocht om terug te komen van het besluit van 10 februari 2003. Daarbij heeft appellant zich met terugwerkende kracht, per 13 februari 2003, ziekgemeld en een uitkering op grond van de ZW aangevraagd. Tevens heeft appellant met terugwerkende kracht een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.5.

Bij besluit van 4 februari 2016 heeft het Uwv het verzoek van appellant van 19 juni 2013 afgewezen met verwijzing naar zijn eerdere besluit van 10 februari 2003 en daarbij geweigerd aan appellant per 13 februari 2003 een ZW-uitkering toe te kennen, omdat appellant op en na die datum geschikt is voor zijn laatst verrichte arbeid.

1.6.

Bij besluit van 18 april 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering afgewezen omdat appellant geen 52 weken arbeidsongeschikt is geweest.

1.7.

De bezwaren van appellant tegen de besluiten van 4 februari 2016 en 18 april 2016 heeft het Uwv bij besluiten van respectievelijk 5 juli 2016 (bestreden besluit 1) en 6 januari 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat, gelet op de brieven van waarnemend huisarts Hansma van

12 februari 2003 en van huisarts J. de Milliano van 15 april 2003 en de overgelegde recepthistorie van de apotheek, appellant op 12 februari 2003 is gestopt met de magistrale receptuur en vanaf dat moment diazepam en SSRI is gaan gebruiken. De rechtbank is, samengevat, van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest. Deze heeft alle door appellant overgelegde stukken, waaronder medische gegevens, bij haar beoordeling betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep uiteindelijk voldoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat de angstklachten dan wel ontwenningsverschijnselen door het wijzigen van de medicatie dusdanig waren dat appellant al op 13 februari 2003 niet in staat was om zijn eigen werk uit te oefenen. Ter zitting heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verklaard dat, in het geval appellant op 12 februari 2003 met de magistrale receptuur is gestopt, dit niet kon leiden tot ernstige ontwenningsverschijnselen en dat ook nergens uit blijkt dat appellant last heeft gehad van ernstige ontwenningsverschijnselen. In de eerdere procedures heeft appellant hiervan ook geen melding gemaakt. Uit de door appellant ingebrachte stukken blijkt volgens de rechtbank ook niet van de door hem gestelde ontwenningsverschijnselen op die datum.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Nu het Uwv, gelet op aangevallen uitspraak 2, volgens de rechtbank terecht aan appellant met ingang van 13 februari 2003 geen ZW-uitkering heeft toegekend, is appellant niet 52 weken arbeidsongeschikt geweest vanaf die datum. Nu appellant de wachttijd niet heeft doorlopen heeft het Uwv terecht de aanvraag van appellant om een WAO-uitkering afgewezen.

3.1.

In de hoger beroepen heeft appellant aangevoerd dat hij niet op 12 februari 2003, maar al op 10 februari 2003 is gestopt met het magistrale drankje/receptuur en vanaf dat moment Diazepam is gaan gebruiken. Door het stoppen van het drankje en de omzetting van de medicatie heeft hij ontwenningsverschijnselen gekregen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant medische rapporten van de toxicoloog prof. dr. D.J. Touw van 3 oktober 2019 en van psychiater J.L.M. Schoutrop van 9 september 2020 overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 februari 2020 en 5 november 2020 overgelegd.

4.1.

De Raad overweegt als volgt.

4.2.

Allereerst wordt overwogen, zoals ter zitting besproken, dat de gedingen in hoger beroep zich toespitsen op de ziekmelding van appellant per 13 februari 2003 en/of er vanaf

13 februari 2003 sprake is geweest van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid.

4.3.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.4.

Op grond van artikel 19 van de WAO (geldend tot 1 januari 2004) heeft de verzekerde recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.5.

Nu appellant zich eerst op 19 juni 2013 met terugwerkende kracht heeft ziekgemeld per 13 februari 2003 en een WAO-uitkering heeft aangevraagd in verband met de op 13 februari 2003 ingetreden arbeidsongeschiktheid, is sprake van een laattijdige ziekmelding en een laattijdige aanvraag. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt het risico dat de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen bij een laattijdige ziekmelding en een laattijdige aanvraag bij de aanvrager (zie onder meer de uitspraken van 17 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4779 en van 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4200). Hieruit volgt dat het aan appellant is om, met medisch objectiveerbare stukken, aannemelijk te maken dat hij op 13 februari 2003 arbeidsongeschikt was, dan wel dat hij de wachttijd voor de WAO van 52 weken heeft doorlopen doordat hij na 13 februari 2003 onverminderd arbeidsongeschikt is gebleven.

4.6.

Daarin is appellant ook in hoger beroep niet geslaagd. De in hoger beroep overgelegde rapporten, van toxicoloog Touw en psychiater Schoutrop, bieden onvoldoende onderbouwing voor het standpunt van appellant dat de artsen van het Uwv zijn medische situatie op de datum in geding onjuist hebben ingeschat en dat hij op 13 februari 2003 (toegenomen) arbeidsongeschikt was en hij vanaf die datum onverminderd 52 weken arbeidsongeschikt is gebleven.

4.7.

Toxicoloog Touw heeft in zijn rapport de samenstelling van de magistrale vloeistof en de werking van de middelen beschreven. Appellant is in 1987 gestart met deze magistrale vloeistof en heeft deze tot 2003 gebruikt. Volgens Touw betekent dat dat bij appellant in die 15 jaar zeer zeker gewenning is opgetreden. In aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank overwogen, zo ook door appellant zelf ter zitting van de Raad bevestigd, dat appellant op

12 februari 2003 (twee dagen nadat zijn eerdere ZW-uitkering was beëindigd) acuut is gestopt met het magistrale drankje en dat de huisarts hem diazepam tabletten heeft voorgeschreven. Volgens Touw kunnen er na een aantal dagen al klachten ontstaan wegens ontwenningsverschijnselen. Touw stelt dat er geen rekening is gehouden met een eventueel effect van het acuut staken van het magistraal drankje, wat geleid kan hebben tot het ontstaan van onttrekkingsverschijnselen, die mogelijk zijn versterkt door het optreden van bijverschijnselen van de medicatie sertraline. De casus is volgens Touw complex en hij acht het niet goed mogelijk om precies aan te geven welke klacht bij welke onderliggende oorzaak hoort. Mogelijk kan een psychiater of een verslavingsarts hier meer over zeggen.

4.8.

De door appellant ingeschakelde psychiater Schoutrop stelt in zijn rapport dat een beoordeling van een situatie die zich 17 jaar geleden heeft voorgedaan, altijd onzekerheden

zal bevatten en aanleiding zal geven tot discussie. Hoe goed en ervaren de geraadpleegde expert ook moge zijn, het blijft volgens Schoutrop een moeilijke, zo niet onmogelijke zaak om met zekerheid uitspraken te doen over iets dat zo lang geleden heeft gespeeld. Schoutrop kan zich verenigen met de conclusies van Touw. Volgens Schoutrop is het onmogelijk om met zekerheid te voorspellen wat er zal gebeuren als medicatie abrupt wordt gestaakt. Wel moet volgens Schoutrop worden vastgesteld dat het abrupt staken van de medicatie van appellant en het starten van "vervangende'' medicatie om eventuele onttrekkingsverschijnselen te voorkomen, op een onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Schoutrop acht het zeer waarschijnlijk dat appellant als gevolg van het abrupt staken en starten met vervangende medicatie klachten heeft ontwikkeld. Schoutrop kan zich niet met de argumentatie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep verenigen dat de gemelde klachten niet op een korte termijn na het staken van het drankje konden optreden.

4.9.

In de rapporten van 22 februari 2020 en 5 november 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom in voornoemde informatie geen aanleiding wordt gezien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Daarbij wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop dat een groot deel van de nu door appellant geclaimde klachten destijds niet door appellant zijn vermeld. Ook in de stukken daterend uit april 2003 worden volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen forse psychische klachten gemeld. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de artsen van het Uwv de medische situatie van appellant op de datum in geding, 13 februari 2003, onjuist hebben ingeschat. Appellant is op 12 februari 2003 gestopt met het magistrale drankje. Volgens Touw kunnen er na enkele dagen wel ontwenningsverschijnselen ontstaan, maar Touw benadrukt ook dat de door appellant geuite verschijnselen niet zonder meer als ontwenningsverschijnselen geduid mogen worden. Een aantal van de klachten van appellant kunnen volgens Touw ook heel goed worden geduid als bijwerkingen van de sertraline, maar zijn door appellant wellicht ervaren als ontwenningsverschijnselen. Ook Schoutrop kan niet met zekerheid vaststellen wat er precies is gebeurd. Hij stelt dat de kennis en de informatie uit het verleden beperkt is en dat het beeld in de loop van de vele jaren die zijn verstreken is vertroebeld. Anders dan appellant heeft betoogd, blijkt uit de door hem overgelegde rapporten niet dat zijn klachten op 13 februari 2003, een dag na het staken van het drankje, al dusdanig ernstig van aard waren dat zij tot arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden. Ook de voorhanden zijnde medische informatie van huisarts Hansma van 12 februari 2003 en huisarts De Milliano van 15 april 2003 bieden daarvoor geen grond. Uit voornoemde informatie blijkt in het geheel niet dat appellant last had van ontwenningsverschijnselen, dan wel klachten had als gevolg van het staken van het magistraal drankje. Pas in een verwijsbrief van 8 september 2003 vermeldt de vervangende huisarts Timmer dat de angstklachten van appellant de laatste tijd weer fors opspelen en dat appellant is gestopt met sertraline vanwege bijwerkingen. Dat de klachten van appellant medio 2003 zijn toegenomen wordt ook niet miskend door het Uwv. In een brief van 20 september 2006 heeft het Uwv ook bevestigd aan appellant dat er tijdelijk sprake is geweest (vier maanden) van arbeidsongeschiktheid, maar appellant was toen niet meer verzekerd voor de ZW en WAO.

4.10.

Het vorenstaande betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant per

13 februari 2003 een ZW-uitkering toe te kennen. Nu appellant niet heeft voldaan aan het wettelijke vereiste dat hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest vanaf

13 februari 2003, heeft hij de zogenoemde wachttijd niet volgemaakt. Daarom heeft het Uwv ook terecht geweigerd hem in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de WAO.

5. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.10 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd. Bij deze uitkomst bestaat geen ruimte voor een schadevergoeding.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt aangevallen uitspraak 1;

- bevestigt aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2021.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) V.M. Candelaria